Een leven lang.... Een leven lang....
Zoeken

Over Jan Cremer

Jan Cremer wordt op 20 april 1940 te Enschede geboren, in het teken van de Ram, met als ascendant de Leeuw. Zijn vader is smid en 'ontdekkingsreiziger', stammend uit een familie van hoefsmeden en beroepsmilitairen uit Pruisen en Hessen.

Diens grootste maar nimmer vervulde wens is als schrijver te kunnen leven en van hem heeft Jan Cremer de drang tot schrijven geërfd alsmede de avontuurlijke onrust. Zijn moeder is afkomstig uit Hongarije, uit een familie van handelaren in paarden en vee in Jazigië.

In Boedapest heeft zij een opleiding gevolgd aan het conservatorium en is zij danseres geweest aan het Staatsballet. Zij zal Jan Cremer al jong de liefde voor tekenen en lezen bijbrengen.

Na de oorlog woont Jan Cremer afwisselend in Enschede en Amsterdam. Na de lagere school gaat hij in Enschede naar de 2e openbare ULO. Zijn voornemen om journalist te worden brengt hij al metterdaad in praktijk door verhalen en reportages te schrijven voor de jeugdpagina van Het Amusante Weekblad Okido. Nadat hij na een jaar van school is ‘geschopt’, werkt hij een aantal baantjes af: knecht in een smederij, grondwerker, transportknecht en textielarbeider. Daarna gaat hij in de leer bij achtereenvolgens een drukkerij, de pottenbakkerij van een steenfabriek en een reclameschildersbedrijf, waar men hem de eerste technische en artistieke knepen bijbrengt, maar waar ook al snel zijn gevoel voor kleuren en kleurharmonieën blijkt. Gedreven door ‘een enorme onrust’ vlucht hij vaak weg van huis. Meestal wordt hij door de politie weer teruggebracht.

Na een turbulente periode, waarin hij zich onder meer als beroepsmilitair bij de Koninklijke Marine heeft aangemeld, stemt zijn voogd (de kinderrechter in Almelo) op voorspraak van Cornelis Veth er in september 1956 in toe dat hij aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Arnhem een opleiding in schilderkunst en grafische technieken gaat volgen. Wegens ‘aanpassingsmoeilijkheden’ wordt hij begin 1957 daar alweer weggestuurd. Hij zwerft gedurende enkele maanden, werkt onder meer op kermissen en in slachthuizen en treedt op als figurant bij de toneelgroep Theater in De prins en de showgirl. In mei 1957 gaat hij varen als matroos op de wilde vaart, voornamelijk naar Russische en Scandinavische havens, tot hij na ruim een jaar weer afmonstert. Na veel omzwervingen, door het zuiden van Frankrijk en Algerije, komt hij in Parijs terecht. Hij woont er in de Rue Santeuil, waar ook de schilders Karel Appel, Corneille en Bram Bogart hun atelier hebben. In deze periode, door Cremer zelf omschreven als zijn ‘Sturm und Drang’-tijd, wordt hij heen en weer geslingerd tussen een toekomst in krijgsdienst en een leven als schilder en - zijn oude droom - schrijver. Ook als schrijver laat hij zich immers niet onbetuigd: in 1957 heeft hij in het tijdschrift Klat naast tekeningen ook gedichten gepubliceerd.

Najaar 1958 keert hij terug naar Nederland en gaat lessen volgen aan de Vrije Academie in Den Haag. Hij heeft een atelier in de Annastraat en door het uitvoeren van allerlei karweien (nachtportier, reclameschilder en decorschilder bij de Haagsche Comedie) verdient hij het nodige geld om verf te kopen. In oktober 1958 houdt hij in Galerie De Posthoorn in Den Haag de eerste eenmanstentoonstelling van zijn ‘peinture barbarisme’, waarin hij moedwillig elke schildertraditie en kunstvorm met de voeten treedt. Hij schildert hoofdzakelijk landschappen en sferen, gebaseerd op de elementen Aarde, Vuur, Water en Lucht.

Een jaar later exposeert hij in het Haagse Gemeentemuseum, waarna vele tentoonstellingen in binnen- en buitenland zullen volgen. In zijn kleurrijke druipdoeken en big sizes twee-, drie- en vijfluiken, die — aldus Freddy de Vree- in hun formele kenmerken nauw aansluiten bij het werk van de toenmalige school van het Amerikaanse abstracte expressionisme, verwerkt hij zulke diverse materialen als olie- en zilververven, sneldrogende celluloselakken, teer, pek, menie en gips. Schilderijen waarin 40 tot 50 kilo verf en aanverwante materialen zijn verwerkt, vormen geen uitzondering. Ter gelegenheid van een tentoonstelling in de Amsterdamse galerie ‘Cinq Mouches’ in 1959 schrijft Cremer samen met de dichter Hans Wesseling het manifest op beschadigde poten lopen. Zijn onconventionele schilderijen en zijn provocerende gedrag (in de Haagse Salon van 1960 biedt hij zijn vijfluik ‘De Japanse Oorlog’ voor niet minder dan 1.000.000 gulden te koop aan) bezorgen de tot ‘Verfnozem’, ‘kunstgangster’, ‘kunstvijand nr. 1’, en ‘woest beest’ uitgekreten Cremer een overvloed aan publiciteit.

In 1960 wordt hem bovendien de Jacob Maris materiaalprijs van de Haagse Salon toegekend en ook een beurs van het Maison Descartes voor verdere studie aan een Parijse academie. In 1958 had een luitenant-kolonel van het Vreemdelingenlegioen hem verwezen naar de Franse regering om deze beurs aan te vragen. Prominente museumautoriteiten als onder anderen W.J.H.B. Sandberg, de toenmalige directeur, en dr. H.L.C. Jaffé, de toenmalig hoofdconservator van het Stedelijk Museum te Amsterdam, steunden zijn aanvraag met aanbevelingsbrieven. In Parijs volgt hij les aan de Academie des Beaux Arts en later aan de Academie du Feu. In het drukatelier Pons maakt hij grafiek.

Vanaf 1961 verblijft hij op Ibiza. Van daaruit maakt hij enkele reizen door Noord-Afrika en naar Duitsland, waar hij in 1962 decors ontwerpt voor het gezelschap Studio 99, dat in de Stadtische Bühnen in Oberhausen twee eenakters brengt van Jacques Audiberti. In 1963 teruggekeerd naar Nederland, voltooit hij in Amsterdam zijn roman Ik Jan Cremer, die in februari 1964 bij De Bezige Bij wordt gepubliceerd. Zoals Cremer zelf op het omslag al verkondigt, wordt het een ‘onverbiddelijke bestseller’, waarvan vertalingen in meer dan dertig landen zullen volgen. Met de eerste opbrengsten van het boek vertrekt hij in 1964 uit Nederland. Hij neemt zijn intrek in het New Yorkse Chelsea Hotel, in de 23ste straat in Westelijk Manhattan, een kunstenaarshotel waar in de jaren vijftig onder anderen Willem De Kooning, Brendan Behan en Dylan Thomas residentie hielden en in de jaren zestig vele Europese kunstenaars, onder wie de Franse nouveau réalistes. In het Chelsea Hotel zet Cremer zich weer aan het schilderen, niet meer in de abstracte stijl van de ‘peinture barbarisme’, maar van enorme tuilpenvelden en andere aspecten van het Hollandse landschap, zoals dat in reisfolders aan de buitenlandse toerist wordt voorgespiegeld.

Vanaf 1970 weet Cremer zijn werk te combineren met zijn reis- en zwerflust. Zes maanden per jaar reist hij, de andere maanden verdeelt hij zijn tijd tussen schrijven en schilderen. Vele van zijn reizen zijn een reconstructie van de trektocht van de Hunnen onder Attila en de Mongolen onder Djenghis Khan. Met deze volkeren voelt Cremer zich sterk verwant, ook voordat een genealoog ontdekt dat hij langs moederskant zelf uit Mongolië stamt. Na 1970 heeft hij zich vooral toegelegd op het lithograferen, wat onder meer resulteert in een aantal tulpen ‘Hollandse landschappen’. ‘Hij vertelt over Holland zoals alleen een emigrant dat zou kunnen doen, pratend over een wijd land met prachtige kleuren, een leeggewaaide blauwe lucht, een groene wei, plastieken van gele korenschoven op een afgemaaid land (...). Ga je zoiets benoemen dan passen dergelijke voorstellingen onder de noemer pop. (...) Maar pop betekent bij hem niet alleen populair maar ook werkelijk volks,’ schreef W.A.L. Beeren, directeur van het museum Boymans-Van Beuningen. Zijn beeldend werk wordt voortdurend in grote eenmanstentoonstellingen in binnen- en buitenland geëxposeerd.