Een leven lang....
Zoeken
De moeder van Jan Cremer: ik ben een gevangene
Schrijver Cremer, Jan
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 15-01-1966
Interviewer Bibeb
Titel interview De moeder van Jan Cremer: ik ben een gevangene

`Ons huis was leeggeplunderd en alles was vernield. Van onze schamele armoedige inboedel was niets meer over. Dat deden de buren omdat zij mijn moeder haatten om haar Duits accent en dachten dat het 'n moffin was. Ze werd ook vaak op straat uitgescholden voor moffin. Het was een verschrikkelijke thuiskomst.' (Ik Jan Cremer, pag. 17)
Clinton Cremer holt de kamer in. Poef, poef, poef, roept hij, een papieren revolver in z'n kleine dikke handje richtend op mij, z'n zusje Claudia, z'n tante Irma (9 jaar), dochter van z'n grootmoeder die zegt `Net Jan, toen die zo klein was. Hij heeft dezelfde gewoonten; merk ik dat hij in z'n broek heeft gedaan of dat ie een koekje pakt, dan kruipt hij onder de tafel. Deed kleine Jan ook.' Clinton (dikke wangen, zwarte oogjes, lacht vaak met mond wijd open) struikelt bij een nieuwe overval op ons, huilt hard maar kort en Claudia, kleine bedaarde vamp (`ze heeft niets van Jan') pakt de revolver en geeft hem aan mij.
Hij bestaat uit twee helften, waarvan de binnenkant beschreven is: `Dag lieve sterke Clinton, heel veel zoentjes van je altijd liefhebbende pappa. Gauw een grote jongen worden dan gaan we samen op reis. Pappa blijft altijd van jullie.' 'En dat,' zegt Claudia, inpalmend kijkend met ver uit elkaar staande zwarte ogen, 'is ook mooi.' Een papieren kerstman, op dezelfde manier dubbel. De binnenkant beschreven. `Alle liefs ter wereld van jullie Jan. Ik zal gauw weer opbellen. Ik mis jullie heel erg maar alles komt goed hoor. Claudia, lieve knappe grote meid van pappa. Jullie pappie, die jullie nooit zal vergeten, Lief voor moeder zijn.' De laatste zin lees ik hardop.
Mevrouw Cremer (niet dik, niet opgedirkt, Jans gezicht lijkt op dat van haar) `Ja, daar voelt hij z'n eigen nat.'
Ik: `Hij heeft me wel es gezegd, dat u het rot gehad hebt door hem.' Clinton, de revolver tegen Claudia's buik: `poef, poef.' Claudia: `Niet doen, dan is er geen Claudia meer.'
Mevr. Cr.: `Als je in de moeilijkheden zit kan je alleen bij je moeder terecht. Zo gaat het toch? Dan ben je de reddende engel. Toen Jan uit huis ging zei iemand die wist, hoe ik gesappeld had: "Trek je er maar niks van an. Je moet blij zijn dat je die jongen kwijt bent. Hij komt met hangende pootjes terug." Maar ik zei: "Hij komt als miljonair terug of hij komt nooit." Dat heb ik gezegd. Want ik ken dat. Zo ben ik ook. Ik heb ook geschreven aan mijn familie in Hongarije dat het me heel goed gaat. Dat is je trots.'
Ik: `U moet mij niet wantrouwen. Ik ben op Jan gesteld, we kennen hem allang, kijk dat zijn kaarten die hij ons heeft gestuurd.'
Mevr. Cr. (leest): `Hij zei als kind al: ik word miljonair en ik ga een mooi huis voor je kopen en je krijgt zo'n prachtige bontjas.
Ik: `De kans zit er nou toch in ...'
Mevr. Cr.: `Ja als ik begraven word ... Clinton, Claudia, ga in de andere kamer.' Irma (tenger en klein, zwarte ogen achter brillenglazen, luid nerveus stemmetje) draagt spartelende Clinton weg, die meteen terugholt.
Irma (tegen mij): `Kijk es, allemaal van Jan gekregen. Eerst had ik er maar 2 en kijk nou es. Er zitten ook kinderliedjes bij en tophits en dingen voor moeder': Een plastic tas vol 30 toerenplaatjes. `En dat is ook van Jan. Kijk wat hier staat. My little sister (in gouden letters onder een Walt Disneyachtige prinses). `Mijn kleine zusje van Jan.'
Haar moeder gaat thee zetten. Als ze terug komt begin ik over het schilderij boven de schoorsteen. Een in oker en bruin spookdier met enorme ogen.
Irma: `Ik kan ook goed tekenen en schrijven, kijk maar.' Neemt uit een rood schooltasje een schrift, waarin bladzijden vol poppetjes aan de tafel, onder een lamp.

Centen
Mevr. Cr.: `Nee Irma, dat is leuk, maar wat Jan maakte was heel anders. Hij was altijd aan het tekenen van z'n derde jaar af. En hij was op z'n centen. Hij wist er mee om te gaan. Hij spaarde Flipjes, weet u wel, en dan kreeg je van die boekjes en dan vertoonde hij die bij een kaarsje in de schuur en vertelde er verhalen bij. Er kwamen veel kinderen, ze moesten allemaal een cent betalen. En op z'n negende bracht hij kranten rond en op z'n elfde had hij een kantoortje opgericht en een jeugdkrant. Tot 12 uur 's nachts was hij bezig met de reclame. Alles wat hij gedaan heeft is nagebootst. Droeg hij een korte broek, kwamen de anderen ook in een korte broek. Met z'n zestiende is hij uit huis gegaan en heeft me nooit een cent gevraagd. Dat moet ik hem nageven. Nooit. Ik ben een keer op z'n atelier geweest in Den Haag, weet u wel. Honderden schilderijen had hij daar. 't Was hongerlijden maar hij heeft me nooit een cent gevraagd. Hij krijgt alles voor mekaar. Ja, dat is goed, zolang hij niet in de politiek gaat. Hij is dezelfde dag geboren als Hitler, 20 april.'
Ik: `Hoe vindt u z'n boek?'
Mevr. Cr. (stug): `Weet ik niet. Ik heb 't niet gelezen.'
Ik: `Er staan heel goeie stukken in.'
Stilte. Ik: `U kunt me gerust geloven. En ik heb 'es een minister geïnterviewd, prof. Andriessen, die had het zelfs over waardevolle stukken.'
Mevr. Cr.: `Ik ben erin begonnen maar ben er meteen mee opgehouden. Van die boer met de stinkende voeten is waar, maar z'n vader laat hij sterven in het katholieke ziekenhuis. Hij is in een gewoon ziekenhuis gestorven. Jan was twee, in 1942. Ik heb moeten sappelen dag en nacht. 't Schijnt dat ik in dat boek een smerige hoer ben.'
Ik: `Welnee, bovendien staat er voorin, dat het allemaal fantasie is.'
Mevr. Cr.: `Goed, dat lezen de mensen niet. Ze nemen het voor koek en ei. Ik begrijp het niet, als hij alles beleefd moest hebben wat in dat boek staat, moest hij minstens 60 zijn. Er zijn wel dingen waar, maar waarom moet ik het bezuren. En wat is dat nou met die Kreuger, die zegt dat Jan het boek gestolen heeft. Kan dat gevaar?'
Ik: `Het boek is duidelijk van Jan. Er staan verhalen in die hij vaak vertelde, hij noemt gewoonten van schilders in Den Haag, die Kreuger niet eens kent.'

Beestvrouw
Mevr. Cr.: `Toch moet ik het bezuren. Ze bellen me op. Ze zeggen "Dag moeder van het beest." "Dag beestvrouw." Ik ben hier altijd de Duitse vrouw geweest, de moffin. Hier kom je er nooit in. Ik ben Hongaarse, ze weten het verschil niet eens.
Ik heb kamers verhuurd, er kwamen onbeschofte kerels die met mij wat te doen wilden hebben. In '42 is m'n man gestorven, hij was electrotechnicus en hij schreef ook ... Mijn man zei: In Holland is het goed. Dat is het gemene. In het buitenland stellen ze het zo mooi voor door de propaganda. Maar het zijn hier hyena's die elkaar vermoorden. Ik ben op, ik heb altijd moeten sappelen. En later kreeg ik op m'n kop dat ik sappelen moest. Op m'n kop van de kinderbescherming. Jan wilde studeren. Jan wou niet naar de fabriek en de kinderbescherming zei: die moeder deugt niet. Als weduwvrouw zonder geld, wat moet je? Ik krijg voor Irma, omdat het een onecht kind is, geen geld. Onwettig geboren kinderen hebben nergens recht op. Een weduwvrouw krijgt geen geld voor een onecht kind en toch zijn ze tegen abortus. In naam van de christelijkheid wordt het leven van hoeveel meisjes van 14, 15 jaar vernield?
Mies Bouwman wou mij voor de TV, maar ik heb gezegd: Ik kan dat niet. Ik weet wat u hebt meegemaakt, ze hebben het mij ook gedaan. Nu zou Mies Bouwman een steekje onder water geven aan de mensen."
Irma: `Jan komt op de TV. Hartstikke goed!'
Mevr. Cr.: `Mies zei Jan zag er slecht uit.'
Ik: `Hij zal het heus wel goed doen, anders had Mies Bouwman het wel gezegd.'
Mevr. Cr.: `Ik hoop het ...'
Irma: `Hij heeft een plaatje gemaakt en iedereen zei, 't is niks maar Jan zei: 't is een onverbeterlijke hit. Hartstikke goed.'
Mevr. Cr.: `Zo is het toevallig ook nog es een keer, dat vind ik het beste van de TV. Die zeggen alles open en rechtuit als het slecht is. Ze doen het.'
Ik: `De mensen bellen u op en wat nog meer?'
Mevr. Cr.: `Als ik op straat kom, dan worden we als koeien bekeken, achter alle gordijnen. Irma wordt wel gevraagd door kinderen op school maar ze mogen hier niet komen. Niemand mag hier komen. Als kind is ze niet geldig, maar straks wel, als ze belasting moet betalen.'
Ik: `Jans kinderen zien er erg goed uit, beter dan verleden jaar september.'
Mevr. Cr.: `Ik heb ze nu meer dan een jaar, (Clinton pakkend) hem heb ik leren lachen. Ik heb Claudia zindelijk gemaakt, maar toch wordt me door de kinderbescherming verweten, dat ik meer van Clinton houd dan van haar. Claudia is nog niet op Jan z'n naam overgeschreven. Hij wel. Om Claudia gaat de strijd. Nu komt het voor de rechtbank, de 13e januari. Ze zeiden dat Jan moest overkomen, maar hoe kan dat nou. Er moet een voogd worden benoemd. Ik weet niemand. Zou ik het meneer Lubberhuizen kunnen vragen? Ik heb voor Jan ook een voogd gehad natuurlijk.'
Ik: `Toch meer dan een?'
Mevr. Cr.: `De eerste was een schoorsteenveger, een landgenoot. Ik had er geen steun aan. Ik vertaalde z'n brieven. Toen later is een nieuwe voogd benoemd door de kinderrechter en die heeft Jan geholpen. Ik zou ze het liefst houden maar er staat wettelijk geschreven dat ik toen als moeder niet deugde. Dat hadden ze toen zo in elkaar gestoken en dat slaat nu op Jan terug, als een boemerang.
Jan schrijft wel lieve brieven. Kijk deze ... dat is de laatste ...' Lieve moeder. (Citaat, klein gedeelte): Je kunt toch wel geloven dat ik zo niet ben. Je moet je niets aantrekken wat die journalisten schrijven, die willen ook hun poen. Daar zit toch de moeder van Hesther achter (dit slaat op een smerig insinuerend stuk in Panorama. B.) dat weet je toch. Je moet weg. Ik zal een huis voor je kopen ergens anders, of een flat. Je weet dat ik het meeste van de wereld hou ik van de kinderen en van u, moeder.'
Ik: `Je merkt uit die brief toch duidelijk dat het goed is dat hij daar zelf zit om z'n zaken te verdedigen.'
Mevr. Cr.: `Hij dacht, ze hadden gezegd dat hij veel meer geld zou krijgen. En als er zoiets gebeurt dan schaamt hij zich.'
Ik: `Hij belooft u een huis.'
Mevr. Cr.: `Ja, ja, als ik 100 ben. Ach, je weet hoe de mensen zijn. Als je arm bent en alleen, dan pakken ze je. Hou je de boel netjes dan is het: hoe komt ze aan het geld. En zodra 't smerig is, zeggen ze: zie je wel alles wordt verwaarloosd. Het is langzame moord.' Stilte. `Kijk, dat is zijn fout. Als Jan mij meubels had gegeven en een bontjas, hadden ze niets gezegd. Nu lachen ze erom. Hij had hun bekken kunnen snoeren. Hij had mij met 4000 kunnen redden. Ik heb het één keer gevraagd, maar nooit meer. Waar ik mijn uitkering haal zeggen ze ook: betaalt je zoon niet. Maar kinderen hoeven niet meer voor hun ouders te betalen, dat is volgens de wet. Hij betaalt nu voor zijn kinderen. Ik kan van meneer Lubberhuizen geld krijgen. Aan de ene kant is het wel goed. Ik ben altijd vreselijk bang, dat iemand hier binnendringt en steelt. Laatst is hier toch een weduwvrouw vermoord.'

Slaaf
Ik: `Die lampenkap is mooi.'
Mevr. Cr.: `Heb ik zelf gemaakt. Ik heb kappen gemaakt en veel geborduurd, Hongaars borduurwerk en gehaakt, van die fijne kleedjes voor fabrikantenvrouwen, die leggen ze op een presenteerblad. Eén kende ik 25 jaar lang. Maar als ik nu langs kom, staat ze achter het gordijn te kijken. Ze groet me op straat niet meer. Dat is na dat boek. Ik heb niemand. Totaal, totaal, totaal niemand. Ik heb de kinderen en de tv. Maar omdat ik te eenzaam ben word je er de slaaf van. Vroeger las ik wel, uit de bibliotheek, Hemingway daar hou ik van. Maar Simon Vestdijks De kelner en de levenden vind ik verschrikkelijk. Ik had nooit gedacht dat hij zo christelijk was. Ik ben nu helemaal ingeschimmeld.'
Ik: `Uw familie in Hongarije?'
Mevr. Cr.: `Moeder is in '44 bij een bombardement omgekomen. Ik heb een broer in Australië en vorig jaar heeft Jan m'n zusje hier laten komen en heeft haar helemaal aangekleed. Ze heeft hier gewoond maar we hebben er weinig aan gehad. Ik had toen jongens in huis, joodse jongens en die kwamen 's avonds, als we zaten te praten, aldoor door het ruitje gluren en mijn zusje kan daar niet tegen, ze voelde zich steeds bespioneerd. Ik heb tegen die jongens, toen ze hierboven een feest gaven en het heel druk was dus, gezegd: het is hier geen synagoge. Dat heeft een van hen aan een krant verteld. Of nee, er was geloof ik een journalist bij. Ik ben niet anti-joods. Ik ben zelf van joodse afkomst. M'n grootvader was jood. Ik vind het niet anti-joods om te zeggen: het is hier geen synagoge. Het is een smerige streek om over geloof en politiek op die manier te beginnen, om iemand te belasteren. Ik heb een interview gehad met iemand van Het Parool, dat werd ook helemaal verkeerd voorgesteld. Ik heb een interview met De Gelderlander geweigerd.

Moord
Wat lees ik in die krant over de moord in Zweden? Die jongen had Ik Jan Cremer gelezen. Ik begrijp het niet, overal wordt gemoord en ingebroken, er zijn zoveel boeken over moorden en altijd jagen ze op ons.'
Gaat naar de kast, neemt er iets uit wat een roze marsepeinen boekje blijkt, titel in suikerletters Jan Cremer en ik. `En toch doen ze dit. Wat denkt u daar nou van. Mag dat nou maar zo. Het werd bij V. en D. verkocht voor één gulden, het vloog weg. Mag je die naam nou zo maar gebruiken? Ik zal het meneer Lubberhuizen vragen, die komt van de week een ijskast brengen van Jan.'
Irma: `Mag ik geld voor een badmuts en badschoentjes ...?' (tegen mij) `Wat denkt u dat mooi staat bij een rood en wit badpak. We krijgen morgen voor het eerst zwemles in het nieuwe zwembad.'
Mevr. Cr.: `Neem wat het leukste en goedkoopste is, zo'n muts is je over 2 jaar als je haar langer is toch te klein.'
Irma: `Dan kan ik altijd m'n haar laten knippen.'
Gaat weg met geld. Claudia komt naar me toe met een houten beestje. `Dat is,' zegt ze, `een sjiraf die zegt ja, ja.'
Clinton heeft in z'n broek gedaan en verdwijnt een poos onder de tafel. Mevrouw Cremer vertelt dat het gedeelte uit Jans boek waarin verteld werd dat ze huishoudster was bij een oude boer, met vreselijk stinkende voeten, wáár is. De boer die de boterbonnetjes van Jan en haar inhield, haar geen loon gaf en clandestien zijn varkens slachtte, waarvan de hele familie hielp worst maken, in de kelder. `Ik heb de kaantjes uitgebakken maar toen heeft hij alles verstopt, al dat uitgebakken vet en al het vlees. Hij zei dat de Duitsers waren geweest. Maar ik was zo woedend, ik ben overal gaan zoeken en vond de pot vet onder z'n bed, de kerel had er op gepist. Ik zei tegen de oude Dries (`de lieve ouwe knecht') help me tillen ... En toen hebben we het vet tegen de muur gesmeten. Binnen een uur was ik weer in Enschede. Hij heeft me proberen terug te krijgen, hij paaide met melk, maar ik ben niet gegaan.
Jan was drie, toen die varkens geslacht werden. En zie je dat kannetje (op de schoorsteen) dat heb ik op de boer z'n kop kapot geslagen. Maar ik heb het wel geweten na de oorlog.' Ze vertelt dat ze op een nacht kleedjes zat te haken bij een carbidlamp, Jantje sliep, toen de moffen een inval deden. Ze vonden niets. Ze zeiden: heb je geen kolen, geen eten? En de volgende dag stond er een kist kolen en een kist met eten voor de deur. Dat heeft de buurvrouw gezien.
Na de oorlog hebben ze me aangebracht en ik heb een nacht in de gevangenis gezeten met Jan. Die was vreselijk bang, altijd, ook als hij naar de gaarkeuken moest, had hij vreselijke angst. We zaten in een hok met stro en toen kwamen er Amerikanen en een Hongaar en die zei: `Hoe komt die Hongaarse vrouw hier? Ze is geen vrouw van een N.S.B.er geweest.' De nachtwaker bracht dekens en 3 sneden brood voor Jan. De volgende dag boden ze mij excuses aan. Maar toen we thuis kwamen, was alles vernield en de buren waren aan het schelden, zodat we de politie moesten roepen. We konden er niet meer wonen.

Terug
Toch zijn we weer in dezelfde buurt terug gemoeten. Je bent in de hel, waar je niet verbrandt. Ik ben een gevangene, ik ben geen vijandelijk persoon. Ik wacht af. Idioot dat het hele land alles gelooft wat in het boek staat en dat ze het op mij uitspuwen.'
Irma komt terug, opgewonden met witte badmuts en witte plastic schoentjes. Ze houdt het wit met rode badpakje tegen haar overgooier. Clinton wordt verschoond. We krijgen allemaal een manderijntje.
Mevr. Cr.: `Waar de baby is (het derde kind van Jan en Hesther) weet ik niet. Die is ergens anders.
Hesther is hier een keer geweest na haar zenuwinstorting. Meneer Lubberhuizen zei dat ze een huis krijgt en dat ze er rustiger uitzag ...' Stilte.
In de andere kamer hangt een schilderij van Jan uit '54, 3 jaar voordat hij, volgens de tekst op de cover van zijn boek, `zich in het internationale leven geducht manifesteerde.' Het zijn Picassiaanse profielen.
Jan z'n foto is tegen de muur geplakt temidden van de kast met poppen en plastic auto's. En aan de andere muur is een heel grote foto van Jans gezicht. De tafel is gedekt met een licht blauw kleed met witte bloemen geborduurd.
Ik moet naar de laatste trein. Irma loopt met me mee naar het station door de stille straten. Het regent. Ze zegt: `Ik heb nog nooit de zee gezien, maar morgen ga ik voor het eerst zwemmen. Weet u, daarom wil ik leren zwemmen want dan kan ik het Clinton en Claudia leren. Ik leer het hun ook. En dan gaan we samen naar het badje en nemen boterhammen mee. Dan kan moeder alleen zijn. Het is wel een ondiep badje. Je kan er wel staan maar als ze voorover vallen, dan kan ik ze redden. Ook als ze misschien in het diepere gaan. Kijk, daar woont een mevrouw die we heel lang kennen. Op een keer was ze jarig en toen ging ik er naartoe met een cadeautje voor haar en toen hoorde ik haar zeggen: zeg, dat ik er niet ben. Nou toen kreeg ze geen cadeautje, eigen schuld. Ze is heel rijk, ze heeft miljoenen.
Ik hoop zo dat de kinderen bij ons blijven en niet naar Hesther gaan. Als ze naar Hesther moeten wil ik zelf wel 150 jaar blijven leven om voor ze te zorgen. Hier moet u oversteken. Daar is het station. De regen gaat telkens tegen m'n bril, dan zie je allemaal sterren. Eerst dacht ik fijn, ik krijg een bril. Nu haat ik hem.'