Een leven lang....
Zoeken
'Toen ik hem een zwarte trui gaf die hij graag wilde hebben, kreeg ik een schilderij van hem'
Schrijver Cremer, Jan
Bron Vrij Nederland
Publicatiedatum 27-08-1988
Interviewer Rudie Kagie
Titel interview 'Toen ik hem een zwarte trui gaf die hij graag wilde hebben, kreeg ik een schilderij van hem'

Bezitters van vroege Jan Cremers (en de schilder zelf) over de eerste moeilijke periode : Jan Cremer had het hele huis van onder tot boven als palet gebruikt.'
Het is een thema voor een sprookje. Straatarme kunstenaar ruilt schilderij tegen een appel en een ei - kunstenaar wordt wereldberoemd - en eigenaar van schilderij heeft plotseling voor tienduizenden guldens aan de wand hangen. In het geval van Jan Cremer is het ook wáár. Bezitters van werk van Cremer uit zijn arme tijd staan hun gouaches, collages en schilderijen tijdelijk af aan het Rijksmuseum Twenthe, waar op 31 augustus de overzichtstentoonstelling Jan Cremer 1955-1987 wordt geopend. (Daarna zal de tentoonstelling tot begin 1990 door Europa reizen.) Wie zijn die eigenaars, hoe kwamen ze aan hun bezit? VN zocht ze op, en sprak met Jan Cremer over zijn jonge jaren: 'Dat zou ik nog steeds het liefste doen: schilderijen verkopen volgens het knipkaartsysteem.'

'Ik weet wat armoede is,' zegt Jan Cremer. 'Ik heb schilderijen geruild voor maaltijden, voor kleren, voor schoenen. Het is gebeurd dat ik in het café zo hunkerde naar een sigaret dat de eerste die voor een pakje Silky kon zorgen een schilderij van me kreeg. Aan de Zeestraat in Den Haag had je restaurant De Twee Beren van meneer Bresser. Hij verzamelde kunst. Als je een schilderij bij hem bracht dat hij wel wilde hebben, kon je een maand bij hem komen eten. Ik heb eens een doek verkocht aan een Indonesisch restaurant op de Denneweg. Mocht ik twee jaar lang met vrienden komen eten tot een maximum van vijftig gulden per maand. Bij een supermarkt hoefde ik niet af te rekenen. Bij de kassa werd bijgehouden voor welk bedrag ik boodschappen had gedaan; dat werd afgetrokken van het geld dat ik te goed had van de eigenaar, die een schilderij van me had gekocht. Dat zou ik nog steeds het liefste doen: schilderijen verkopen volgens het knipkaartsysteem. Gewoon eerlijke ruilhandel.'
De samenstellers van de grote internationale tentoonstelling, die minister Brinkman op 31 augustus in het museum Twenthe te Enschede - de geboorteplaats van Jan Cremer - zal openen, stonden voor een lastige opdracht. Er moesten minstens honderd olieverfschilderijen, gouaches en collages worden opgespoord die Cremer tussen 1955 en 1987 had gemaakt. Waar konden die gebleven zijn? Een administratie hield Cremer niet bij. Bovendien had hij jarenlang als nomade over de aardbol gezworven. Zijn grootste productie haalde de als woest verfbeest en barbaar bekendstaande schilder voordat hij in l964 als schrijver debuteerde met de autobiografische schelmenroman Ik Jan Cremer. Hij was toen al omstreden en beroemd. Veel publiciteit kreeg zijn manifest uit 1959: 'Ik sodemieter verf op een doek, ik druip, spat, sla, schop, ik vecht met verf, soms win ik.' Verslaggevers die hem in zijn atelier opzochten konden altijd wel een paar uitspraken noteren waarmee de burgerman zich zo graag de stuipen op het lijf liet jagen: 'Ik ga op een paar meter afstand van mijn doeken staan en dan smijt ik de verf, zo uit de bus, er tegenaan. Een kwast gebruik ik nooit. Dat is ouderwets.' In 1960 veroorzaakte hij opschudding door tijdens een televisie-interview de schouders op te halen over de vraag wat hij van Rembrandt vond: 'Rembrandt? Wie is dat? Ik doe niet aan sport.' In 1961 werd Jan Cremer wereldnieuws omdat hij zijn vijfluik Japanse oorlog voor één miljoen gulden wilde verkopen. Het tot dusver onverkochte miljoenendoek zal op de expositie in Enschede te zien zijn.
Via advertenties werden bezitters van een 'vroege Cremer' vorig jaar opgeroepen zich bij het Twentse museum te melden. Er kwamen een paar honderd reacties binnen. De adressen werden door een fotograaf bezocht. Daarna werd aan de hand van afbeeldingen het werk gekozen dat voor de tentoonstelling in aanmerking kwam. Cremer: 'Er zaten veel vervalsingen tussen: werken die niet door mij gemaakt zijn, maar waar wel mijn handtekening onder staat. Ik heb de twijfelachtige eer dat ik met Karel Appel de meest vervalste kunstenaar van Nederland ben. Ik herken mijn oude schilderijen in éénhonderdste seconde aan de kleur. Als mensen die menen dat ze werk van mij hebben dat telefonisch gaan beschrijven, hoor ik soms al dat het niet van mij kan zijn. Ik heb hele drama's meegemaakt. Nu moet ik bijvoorbeeld weer een brief schrijven aan een meneer die al achtentwintig jaar een doek aan de muur heeft hangen waarvan hij altijd heeft gedacht dat het een Cremer was. Al zijn spaargeld heeft hij eraan gespendeerd. Hij nam de moeite om op de advertentie van het museum te reageren maar ik moet hem terugschrijven dat hij zich strafbaar maakt als hij dat schilderij zou verkopen als een doek van Jan Cremer. Op zoiets staat namelijk gevangenisstraf.'
De levensloop van Jan Cremer vermeldt dat hij in 1940 werd geboren en dat hij zich al jong ontpopte als een creatief en grillig talent. Er was geen school waar hij het langer dan een paar maanden uithield. Een greep uit zijn bezigheden in 1955: 'Academies voor Beeldende Kunst in Arnhem, Den Haag en Parijs. Opleiding in schilderkunst en grafische technieken.'

Doorgesleten zolen
'Accountant-administratieconsulent' staat op de voordeur van het riante huis in Doorwerth, waar Frans Eeltink woont en kantoor houdt. Een deel van de muur in de zitkamer wordt in beslag genomen door het imposante olieverfportret Prostituée dat Cremer in februari 1957 op het doek zette. Eeltink heeft het schilderij voor vijftigduizend gulden laten verzekeren. Hoeveel hij er destijds voor betaald heeft is hem ontschoten: 'Ik geloof dat het om een bedragje van vijfentwintig gulden of zoiets ging. Ik leende hem soms wat geld, hij bleef ook wel eens bij me eten. Toen zijn zolen waren doorgesleten heb ik hem een paar luchtleren schoenen gegeven. Op een gegeven moment heeft hij dat schilderij aangeboden als tegenprestatie voor een aantal zaken. Zo zal het gegaan zijn.'
Volgens Cremer ligt het anders. Toevallig heeft hij destijds opgeschreven wat Eeltink voor Prostituée betaalde: dat was welgeteld tien gulden. 'Eigenlijk was het een schandaal, want alleen al aan materiaal had dat doek me méér gekost,' zegt de schilder. 'Door geldnood gedwongen heb ik het voor dat bedrag moeten verkopen. Ik weet nog goed dat Eeltink er met enorme tegenzin op inging om van het gezeur af te zijn. Van een tientje kon je in die tijd een week leven.' Jan Cremer bezocht de Arnhemse kunstacademie, Frans Eeltink zat in het bestuur van de Arnhemse Jazzsociëteit en speelde saxofoon. In de periferie van het artistieke leven in de provinciestad van die dagen liepen de twee elkaar regelmatig tegen het lijf, maar dikke vrienden zijn ze nooit geworden. 'Het was een mooie tijd waar ik vaak met weemoed aan terugdenk,' zegt Eeltink. 'Jan woonde op een onverwarmd kamertje langs de spoorlijn. Ik heb altijd in die jongen geloofd, in zijn schilderijen meer dan in zijn boeken. Hij gaat zijn gang, hij doet waar hij zin in heeft. Daar ben ik wel jaloers op. Ik kreeg voortdurend draaien om m'n oren in m'n jeugd: dit mocht niet en dat mocht niet. Nou ja, ik ben een gewaardeerd lid van de maatschappij geworden. Jan is een gewone jongen gebleven. Ten onrechte kreeg hij het stempel opgedrukt dat hij iets extra speciaals zou zijn.'
In het najaar van 1958 verhuisde Cremer naar Den Haag, waar hij een atelierwoning aan de Annastraat betrok. Hij werkte als een bezetene en maakte zijn eerste doeken in een stijl die bekend zou worden als Peinture Barbarisme; zijn agressieve variant op de informele schilderkunst. 'In die tijd begonnen de eerste mensen met een vooruitziende blik mijn werk te verzamelen,' herinnert Cremer zich. 'Zo had ik een goed contact met een jongen uit Bagdad, die als secretaris op de ambassade van Irak werkte. Eén keer per maand kocht hij voor dertig of veertig gulden een gouache van me. Daarna gingen we eten bij Kota Radja of Indrapoera. Met een enorm bord nasi rames haalde ik dan de achterstand in die ik in die week had opgelopen. Die man uit Bagdad heeft tussen de twee- en driehonderd werken van mij in zijn bezit. De laatste keer dat ik hem sprak was in 1976, toen hij ambassadeur in Londen was. Hij vertelde me dat hij een paleis ging inrichten dat zou worden volgehangen met mijn werk. Maar ja, de politiek kwam in een woeliger vaarwater terecht en het contact tussen ons werd verbroken.'
Achter de Annastraat in de Haagse binnenstad loopt de Molenstraat, waar galeriehouder Joop Lucassen zijn 'kunstcentrum' heeft. Cremer werd al snel een dagelijkse bezoeker, die elke middag om drie uur een kopje thee kwam drinken. Hij at daarbij steevast een plakje cake, dat hij zelf had meegenomen; dat was zijn ontbijt. 'Als ik door geldnood werd gedwongen om iets te verkopen, dan wilde Lucassen me meestal wel helpen,' zegt hij. 'Lucassen betaalde niet veel; iets van vijftig gulden voor een schilderij en een tientje voor een tekening, maar dat wist ik van tevoren.'
De kunsthandelaar en zijn vrouw zien in gedachten de jonge schilder nóg met zijn benen bungelen, zittend op de rand tussen de hoge achterkamer en de lage voorkamer. Later werd de zaak doorgebroken, gemoderniseerd en de vloer werd geëgaliseerd. Er is de afgelopen dertig jaar wel meer veranderd. 'Jan woonde in een tochtige kamer en leefde uitsluitend voor de kunst. Hij had moeite om z'n kostje bij elkaar te scharrelen. Hij droeg blauwe werkmanskleding en zag er ongezond en mager uit. In de omgang was hij een controversiële figuur, die zich overal mee bemoeide. Ik had eens een klant die zei dat hij iets wilde kopen van de beste schilder van Nederland. Cremer riep met een volle cake-mond dat die meneer dan maar iets van hem moest kopen.'
In 1958 kwam een schilderij van Cremer in de etalage van de galerie te hangen. Lucassen schrok van de reacties. 'Ik had me niet gerealiseerd dat agressieve kunst in staat is agressie op te roepen,' zegt hij. 'De Molenstraat was opengebroken, werklieden van de PTT waren bezig telefoonkabels te leggen. Opeens zag ik een paar grondwerkers woedende gebaren in de richting van de etalage maken. Ze zwaaiden met hun gereedschap, ze wilden de ruit ingooien. Dat is toen gesust door een oudere man, die zijn jongere collega's voorhield dat er ernstiger dingen in het leven zijn om je over op te winden.' In 1961 kreeg Jan Cremer zijn eerste expositie bij galerie Het Kunstcentrum. Lucassen weet nog dat de eerste die iets kocht de echtgenote was van een Japanse rechter die iets deed bij het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. 'Dat schilderij hangt nu in Tokio,' zegt hij. 'Ik ben het 's avonds persoonlijk wezen brengen. Ik heb nog pijn in m'n nek van alle buigingen die ik tijdens dat bezoek moest maken.'

Schaars gekleed
Het liep trouwens niet storm bij de Cremer-tentoonstelling. Er werd mondjesmaat verkocht, hoewel de dagbladcritici het werk over het algemeen gunstig beoordeelden. In zijn particuliere collectie bewaart de kunsthandelaar een paar vroege gouaches van Cremer die niet te koop zijn. Hij verdwijnt naar achter en komt terug met een ingelijst kunstwerk. 'Kijk, dit dingetje heet The Modern Jazz Kwartet en dateert uit 1955. Hij vroeg toen al waanzinnige prijzen voor zijn werk; hij heeft op de achterkant gekrabbeld dat dit vijfduizend gulden moest kosten. Ik meen dat ik er vijftig gulden voor betaald heb.' Truus Lucassen bladert intussen driftig in een naslagwerk. Ze wil weten hoe oud Cremer in 1955 was toen hij het Jazzkwartet schilderde. 'Dat kan niet,' roept ze verbaasd uit. 'Hier staat dat hij werd geboren op 20 april 1940. Dat zou betekenen dat hij vijftien jaar was toen hij deze gouache maakte. Dat kan ik me nauwelijks voorstellen, maar ja - het staat er echt, dus het zal wel kloppen.'
'Het ziet er zo fris en krachtig uit, het zou gisteren gemaakt kunnen zijn,' zegt haar man hardop peinzend. 'Jan is altijd zeer overtuigd geweest van zijn eigen kunnen; dan probeer ik het zo clean mogelijk te zeggen.' Sterke verhalen zou Lucassen kunnen vertellen, want het is ongelofelijk wat hij met die jongen heeft meegemaakt. Hij bijt even op z'n tong en zegt: 'Als u in dat soort verhalen geïnteresseerd bent kunt u het beste even langslopen bij melkhandel Oldebeuving in de Papestraat, vlak achter de Annastraat. Die man weet zich nog te herinneren hoe schaars geklede vriendinnetjes 's morgens melk bij hem kwamen halen als ze de nacht bij Jan hadden doorgebracht. Het is maar een tip.'
De Leidse 'freelance kunsthistoricus' Daan MacGillavry was in zijn Haagse jaren stamgast van café De Posthoorn, dat toen nog de naam had een trefpunt voor de plaatselijke bohème te zijn. In een aanpalende ruimte had de latere kunstcollectioneur Frits Becht een kleine galerie ingericht. Wie er een kijkje wilde nemen kon de sleutel afhalen bij het buffet van het café. Toen Jan Cremer in 1958 bij De Posthoorn exposeerde, was MacGillavry onmiddellijk onder de indruk. Ter plekke kocht hij zijn eerste prent van Jan Cremer. 'Het had gewoon kwaliteit. Om kwaliteit te herkennen hoef je geen verstand van kunst te hebben. Als je intuïtie zegt dat het goed is dan blijkt dat op langere termijn altijd te kloppen,' legt hij uit. Cremer herinnert zich MacGillavry als 'een jongen die zich het brood uit de mond spaarde om maar iets van mij te kunnen kopen.' De Cremer-collectie van de kunsthistoricus bestaat nu uit vijf prenten en een schilderij. De prenten zitten in een map, het doek - titel: Hot Cat '58 - hangt bij een bevriend echtpaar aan de muur. 'Hij is arts, zij is kunsthistorica. Ze hadden een paar jaar in Malawi gewerkt en toen ze terugkwamen en in Leiden gingen wonen, moesten ze een huis inrichten. Ik heb een paar werken afgestaan, waaronder dat doek van Cremer. Het hangt in de eetkeuken. Ik kan het komen bekijken wanneer ik maar zin heb,' zegt MacGillavry.
In het begin van de jaren zestig kwam hij Cremer regelmatig tegen in de stad. 'Hoe gaat dat? Je praat met elkaar, je zakt samen door en het eind van het liedje was dat Jan vroeg of ik op zijn atelier een flesje wijn wilde komen drinken. Ik moest wél zelf dat flesje meenemen. Als ik dan bij hem was, liet hij me nieuw werk zien. Soms kocht ik iets. Op een avond tilde Cremer het matras een stukje op. Hij wees geheimzinnig op de aantekeningen die hij daar had verstopt voor het boek dat hij aan het schrijven was.
Een paar jaar later zou dat boek tot veler verbazing ook werkelijk verschijnen. 'Veel van de verhalen die daarin staan kloppen met de werkelijkheid,' weet MacGillavry. 'Verschillende anekdoten had Jan me al verteld. Ook het verhaal dat de kopers van een schilderij ongeduldig op de stoep stonden te wachten terwijl hij met een vriendin op de canapé lag te stoeien, klopt. Ik kan het weten, ik was één van die kopers.' Het gebeurde op een warme zomerdag toen Cremer weer eens in financiële nood verkeerde. De volgende dag zou hij op reis gaan, zodat bezoek van een mecenas zeer welkom was. MacGillavry had beloofd iets te zullen kopen. Hij was in gezelschap van zijn zuster en twee vrienden, die ook van plan waren zich werken van Cremer aan te schaffen. Langdurig aanbellen bij het pand Annastraat 14 bleef onbeantwoord. MacGillavry: 'Aan de overkant was toen een instrumentmakerij. Die jongens op de tweede verdieping stonden druk naar ons te gebaren en te wijzen. Ze hielden de duim tussen wijs- en middenvinger geklemd en moesten vreselijk lachen. Eerst begreep ik niet wat ze bedoelden, maar langzamerhand drong het tot me door dat ze stonden méé te genieten van een tafereel dat zich op het atelier van Cremer afspeelde. Een kwartier later ging de deur open. We stommelden met z'n vieren naar boven en hebben voor een paar honderd gulden werk van Jan gekocht. Kon hij tenminste weer even met zijn vriendin met vakantie.'
Sommige vrienden, bekenden en familieleden verklaarden de jonge kunsthistoricus voor gek: hoe kon hij nu zo met het werk van de barbaar Cremer dwepen? 'Vergeet niet dat de jaren vijftig een uiterst naargeestige periode was,' zegt hij. 'Moderne kunst hield zo'n beetje op met het kubisme. Alle ontwikkelingen daarna werden niet serieus genomen.'

George Gentenaar, eigenaar van café De Sport - toen en nu trefpunt voor de minder formele Hagenaar - zou Jan Cremer omstreeks 1961 het hulpmiddel aanreiken waarmee deze zijn image bouwde en zelfverzekerd op het succes van zijn onverbiddelijke bestseller afstormde: de Harley Davidson motor die het handelsmerk van de auteur zou worden. Gentenaar hield er het schilderij Tweevorm aan over, dat Cremer in 1958 maakte. Hij zegt: 'Jan was vaste klant van De Sport. Hij was verschrikkelijk arm in die tijd; dat hij een schilderij tegen een pakje sigaretten ruilde, geloof ik direct. Mijn moeder had een groot hart voor jongens die op de kunstacademie zaten. Ze mochten af en toe in de keuken komen eten.
Ik had in de kroeg mijn 250 cc-tweetaktmotor verruild tegen een Harley Davidson met zijspan. Ik had direct spijt want het lukte me niet om dat ding op de weg te houden; vanwege het zijspan ging het altijd rechtsaf, ook als er geen rechtsaf was. Jan was meteen helemaal wild van die motor, die wilde hij graag van me overnemen. We spraken af dat hij driehonderdvijftig gulden zou betalen: honderdvijftig gulden contact en de rest in termijnen. Daarna verloor ik Jan uit het oog. Een hele tijd later kwam ik hem 's nachts tegen in de Scala Bodega, op honderd meter afstand van zijn atelier in de Annastraat. Ik vroeg meteen wanneer ik mijn geld eens zou krijgen. Desnoods wilde ik ook wel een schilderij van hem als hij niet in staat was om me terug te betalen. Samen liepen we naar zijn huis. Hij wilde me een prent geven, maar daar nam ik geen genoegen mee. Ik wilde een schilderij.
Uiteindelijk mocht ik iets uitzoeken, een doek dat sindsdien bij mij in de woonkamer hangt. Ik heb Jan nog iets van vijftig gulden toe gegeven, hij had werkelijk geen cent. Even later stond ik om vier uur 's nachts in de regen met een schilderij van één meter tachtig bij tachtig centimeter. Ik probeerde dat ding achter op mijn bromfiets te sjorren. Dat lukte niet, ik was lichtelijk aangeschoten. Terwijl ik daar stond te hannesen, stopte een politiejeep. De agenten vroegen wat ik daar stond te doen. Nadat ik de situatie had uitgelegd, werd ik met mijn schilderij keurig door de politie thuisgebracht.'

Groot en blond
In het tweede deel van Ik Jan Cremer beschrijft de auteur hoe hij, gedreven door geldnood, op het idee kwam 'om Kunst ten huize van de aspirant-koper te vervaardigen'. Zo werd hij volgens het boek 'met groot onthaal ontvangen' door een chirurg en zijn vrouw: 'Een verschrikkelijk mooi wijf, een Scandinavisch Grace Kelly-type, groot, blond, blauwe ogen en elegant gekleed. Terwijl de chirurg eruitzag als een boekhouder van de Boerenleenbank. Een van de weinige dingen in dit leven die voor mij onbegrijpelijk blijven is: hoe kan het dat zoveel prachtige vrouwen met zulke lelijke kereltjes trouwen? Als er poen aan vastzit, is dat niet zo onbegrijpelijk, maar meestal hoeft dat niet eens.' De Amsterdamse tandarts Jan Meeuwig leest de passage bulderend van de lach hardop voor, terwijl zijn echtgenote - groot, blond, blauwe ogen en elegant - met neergeslagen ogen op de bank meeluistert. Hij is de chirurg uit het boek, zij het Scandinavische Grace Kelly-type. Aan de muur hangt de roodzwarte inktschildering die aan de geschiedenis herinnert. Telefonisch had de tandarts tevoren gewezen op de 'precaire kanten' van het verhaal over Jan Cremer die in 1961 kunst aan huis kwam maken. Volgens het boek onderhield de kunstenaar zich aan het einde van de avond immers ontuchtig met de gastvrouw, nadat de chirurg voor een spoedklus was weggeroepen. 'In grote lijnen klopt dat hoofdstuk wel, behalve het slot. Er heeft zich echt niets seksueels tussen Jan Cremer en mij afgespeeld. Dat was misschien een fantasietje dat die avond door zijn hoofd spookte,' zegt Gerda Meeuwig.
Haar man: 'Op een avond belde Jan Cremer hier aan. Hij had geld nodig voor een reis naar Spanje. Een bevriende architect had gezegd dat ik misschien wel werk van hem wilde kopen. Hij had een map met prenten bij zich, maar daar waren mijn vrouw en ik niet erg enthousiast over. Toen vroeg Jan of ik niet een stuk papier had, dan zou hij wel even iets anders maken. Omdat ik niets had, zijn we even naar een boekhandel hier op de hoek gelopen. Aangebeld, de winkel was al dicht. Jan kocht een groot vel papier, een potje rode inkt en een potje Oostindische inkt. Op de vloer van de woonkamer is hij toen aan de gang gegaan.'
Mevrouw Meeuwig: 'We mochten aanwijzingen geven. Was het rood genoeg of wilden we liever wat meer zwart? Hij hield rekening met onze wensen.' Haar man: 'Het was een leuke avond. Tussen de bedrijven door hebben we wat gedronken en gegeten. Jan had het hoogste woord. Toen hij wegging zei hij: Geef maar vijftig gulden.'

Dikke lagen
Het moet omstreeks dezelfde tijd geweest zijn dat de pianist Misja Mengelberg in Den Haag het schilderij Japanse nacht kocht. In een zijkamertje van café Het Achterom, vlak bij de Annastraat, had de musicus een stapel schilderijen van Cremer zien staan. 'Ik vond het frapperend goed, bijzonder vitaal en buitengewoon raak,' zegt hij. 'Jan zei dat Japanse nacht vierhonderd gulden moest kosten. Dat was een boel geld in die tijd; een deel kon ik lenen bij mijn vader, de rest heb ik bij stukjes en beetjes afbetaald. Ik denk dat ik één van zijn minder lastige kopers was. Ik had geen zin om af te dingen. Ik vond dat voor iets wat goed is het volle pond betaald moest worden. Het schilderij zal nu honderd keer meer waard zijn, schat ik.'
Het doek hangt in de slaapkamer, boven het bed, waar Mengelberg het de komende maanden node zal missen. Hij houdt zijn hart vast voor het transport van het kunstwerk dat hij tijdelijk heeft afgestaan ter wille van de reizende Cremer-expositie. 'Het is een heel kwetsbaar schilderij, dat niet mag vallen en waar niets tegenaan mag stoten,' zegt Mengelberg. 'De gipsmassa's waarmee Jan de verf vermengde hebben de neiging om los te gaan zitten. Misschien moet er iets verzonnen worden om het te conserveren.'
De techniek die Cremer bij de vervaardiging van zijn doeken toepaste was een bron van mysterie. De kunstenaar was tot geen enkele toelichting bereid. Daan MacGillavry herinnert zich een bejaarde schilderijenrestaurateur in Den Haag, die in zijn nieuwsgierigheid zo ver ging, dat hij een werk van Jan Cremer kocht met als enig doel het te ontleden: 'Hij wilde weten hoe het mogelijk was dat verf en gips in decimeter-dikke lagen vast konden blijven zitten. Laagje voor laagje heeft die man er afgekrabd, totdat hij er achterkwam dat Jan een platgeslagen verfblikje op het doek had vastgezet dat met gips werd bedekt. Het blijft natuurlijk doodzonde dat er een prachtig schilderij moest worden gemold om de werkwijze van een kunstenaar te reconstrueren.'
Het tijdschrift Vizier noteerde in oktober 1959 uit de mond van de barbaar dat diens schilderijen gemiddeld veertig kilo wogen. Hoe ze zo zwaar werden, wilde de geïnterviewde toen niet zeggen: 'Dat vertel ik lekker niet, anders schildert binnenkort heel Nederland zo en ik ben een individualist.' De oorzaak van het opmerkelijke gewicht, zegt Cremer nu, had weer te maken met zijn bittere armoede in die jaren. 'Ik had geen geld om materiaal te kopen, het was moeilijk om rond te komen van de kunst. Met een paar vrienden zocht ik 's nachts de bouw op. Dan gingen we kozijnen jatten, die ik gebruikte als spieraam. Dat verklaart waarom sommige van mijn doeken zeer zwaar zijn: er zit gewoon een raamkozijn achter. Linnen en verf kreeg ik van De Haagse Comedie, waar ik werd ingezet voor last minute jobs. Als er een decor af moest, dan werd ik opgeroepen. Ik werkte een hele nacht door en mocht dan als beloning verf en linnen meenemen.'
In 1960 vertrok Cremer met een studiebeurs van Maison Descartes naar Parijs waar hij een goede bekende werd van Karel Appel, Corneille en Bram Bogart die een atelier in de Rue Santeuil deelden. Zijn zaken in Nederland liet hij regelen door de kunsthandelaar Alexander Nicola Donskoy, die er geen gras over liet groeien: exposities in Oslo, Helsinki, Kopenhagen en Stockholm volgden elkaar in snel tempo op. Belangrijke Scandinavische musea voegden Cremers aan hun collectie toe. Toch hield de kunstenaar geen cent aan dit succes over, want de flessen champagne, kaviaar en de overige 'diverse onkosten' die de promotie moesten versoepelen, bracht zijn beschermheer allemaal in rekening. 'Donskoy was bij nader inzien gewoon een oplichter, die zesenveertig schilderijen van mij achterover heeft gedrukt. Ik krijg nog heel veel geld van hem, maar hij is tot op de dag van vandaag onvindbaar. Niemand weet waar hij uithangt,' zegt Cremer. Hij vertelt over een bezoek aan het witgepleisterde kantoor dat de kunsthandelaar - die voorgaf eenendertig jaar te zijn, maar in werkelijkheid veel jonger was - aan de Amsterdamse Herengracht had ingericht. 'Donskoy zei dat hij acht talen sprak, maar volgens mij was dat grootspraak. Er stonden drie telefoontoestellen op zijn bureau. Toen ik binnenkwam zat hij opgewonden te bellen in een brabbeltaaltje dat voor Russisch moest doorgaan maar dat nergens op sloeg. Hij wilde gewoon indruk op me maken. Om de paar zinnen liet hij het woord millionen vallen. Terwijl ik stond te wachten kwam er een man in een blauwe overall binnen, die een tas met gereedschap in de hoek kwakte. Donskoy legde zijn hand op de telefoonhoorn en siste tegen de werkman: 'Meneer, wilt u mij alstublieft niet storen, ik zit hier over miljoenen te onderhandelen.' Daarna rondde hij in dat zogenaamde Russisch van hem het gesprek af. Hij legde de hoorn op de haak en vroeg de man wat hij kwam doen. Bleek het een PTT-monteur te zijn die de telefoon kwam aansluiten!'

Felle doeken
In 1961 en 1962 verbleef Cremer op het Spaanse eiland Ibiza, waar hij, na tweemaal een creatieve uitbarsting van wekenlang dag en nacht werken, twee keer de expositiezaal van galerie Vedra kon inrichten met splinternieuw werk. 'In de vrachtauto, op weg van mijn atelier naar de galerie, was ik nog bezig de laatste hand aan die schilderijen te leggen. Daarna ging ik naar huis om te douchen omdat ik fris op de opening van mijn expositie wilde verschijnen. Toen ik daar aankwam, waren al mijn vijfentwintig schilderijen verkocht. Op Ibiza leefde ik van zes gulden in de week, dat kon toen nog. Toch raakte ik in financiële moeilijkheden. Toen mijn geld op was ben ik naar Nederland gevlucht. Ik heb zo'n tweehonderd schilderijen op het eiland moeten achterlaten - prachtige, felle doeken die allemaal spoorloos verdwenen zijn.'
Bij terugkeer in de Haagse Annastraat wachtte een tweede teleurstelling. Cremer: 'Terwijl ik in Spanje zat was er op mijn atelier ingebroken. Een maniak heeft toen enorm huisgehouden: ongeveer zestig schilderijen en tweehonderd gouaches werden verscheurd, verbrand en kapot gestoken met messen. Mijn complete jeugdwerk was vernietigd. De politie heeft nog een onderzoek ingesteld, maar de dader bleek onvindbaar.' De bevriende architect Simon Karsten zou voortaan een oogje in het zeil houden als Cremer weer eens de stad uit was. Karsten zette een bank in het huis in de Annastraat en spreidde een dik berevel op de grond. Af en toe bleef hij er slapen. 'Ik kende Jan al zo lang. Hij kwam regelmatig langs. Wij hadden een piano; soms als ik uit mijn werk kwam trof ik Jan met een groep vrienden muziekmakend in mijn huiskamer aan. Hij kon fantastisch verhalen vertellen. Mijn schoonmoeder was ook zeer op hem gesteld,' vertelt Karsten. De architect wijst op een onstuimig zilverrood schilderij dat nu nog in zijn woonkamer hangt, maar vanaf volgende week in het Twents museum te bezichtigen zal zijn. Elders in zijn woning bewaart Karsten twee andere doeken van Cremer. 'Jan was heel makkelijk in die dingen. Toen ik hem onder andere een zwarte trui van me gaf die hij graag wilde hebben en een paar handschoenen kreeg ik een schilderij van hem. Die handschoenen spoot hij meteen zilver en daarmee ging hij op zijn zilvergespoten motor naar Spanje. Zilver en Cremer zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden.'
De waarde van het zilverkleurige kunstwerk dat in bruikleen aan het museum wordt afgestaan viel moeilijk vast te stellen. Karsten schatte het bedrag op drieduizend gulden. Een verzekeringstaxateur wist met stelligheid te melden dat het schilderij in de VS een à anderhalve ton zou vertegenwoordigen. Directrice Dorothée Cannegieter van het Twents museum adviseerde het doek voor achtduizend gulden te laten verzekeren.
'Nadat Jan in 1964 beroemd was geworden met zijn boek ben ik hem jarenlang uit het oog verloren,' zegt Simon Karsten. Eind jaren zestig belde hij me plotseling op. Je moet een huis voor me bouwen, zei hij - maar het bleek dat hij wilde dat ik hem zou helpen met de verbouwing van een etage aan de Keizersgracht in Amsterdam, waar hij zou gaan wonen. Dat moest een typisch Cremerhuis worden, met roze en zilveren muren. Na kantoortijd reed ik elke dag even naar Amsterdam om te kijken of de zaak opschoot; het duurde allemaal veel langer dan we hadden verwacht. Ik heb er erg veel tijd in gestoken. Jan heeft me daar nooit voor gehonoreerd, maar dat vond ik niet erg. Ik had al een paar schilderijen van hem gekregen; ik beschouwde het als een eer om voor hem te werken. Annastraat 14 kreeg een nieuwe huurder.
Jan Cremer had het huis van onder tot boven als palet gebruikt,' zegt grafisch ontwerper Jaap Andela die het pand betrok. 'Alles zat onder een dikke laag verf. Hardboard, zachtboard, karton - hij was niet erg kieskeurig in de keuze van zijn materiaal. In een hoek van de kamer stond een partij schilderijen die Cremer had achtergelaten. Ik moest die troep zo gauw mogelijk zien kwijt te raken; ik had de ruimte nodig. Die schilderijen heb ik verkocht aan een Haagse kunsthandelaar, die me later vertelde dat hij ze had gesigneerd met Karel Appel. Ik weet dat die schilderijen van Cremer korte tijd later op een veiling in Groningen zijn verkocht onder het mom van jong werk van Appel.'
Van schilderen kwam niet veel meer. Ik Jan Cremer was verschenen en veroorzaakte een sensatie. In 1964 moest uitgeverij De Bezige Bij vijf herdrukken maken; eind dat jaar waren honderdzestigduizend exemplaren verkocht. Cremer kocht een zilverkleurige Mercedes-sportwagen, huurde een suite in het Amsterdamse Hilton-hotel, vertrok naar Londen waar hij zijn intrek nam in een flat op Hyde Park Square 22 en vestigde zich vervolgens voor lange tijd in Amerika. De auteur zwoegde in het Chelsea hotel in New York op het tweede deel van zijn memoires. Het boek zou in 1966 verschijnen, het jaar waarin uitgever Johan Polak drie gouaches van Cremer cadeau kreeg. 'Ik had Jan al eens ontmoet toen hij aan het begin van de jaren zestig een tentoonstelling in een galerie aan de Willemsparkweg had. Ik vond het mooi, maar in mijn herinnering werden er zeer hoge prijzen voor gevraagd,' zegt Polak. Toen hij in het literair tijdschrift Gard Sivik fragmenten las van het boek dat Cremer had geschreven, was hij onder de indruk. 'Ik weet nog dat ik tegen Lubberhuizen zei: let op mijn woorden, die Jan Cremer is een groot talent. Ik vermoedde op dat moment al dat De Bezige Bij het boek zou gaan uitgeven. Twee jaar later riep Lubberhuizen de hulp in van zijn collega Polak, die nu zegt: 'Er waren problemen met het tweede deel van Ik Jan Cremer. Het manuscript kwam maar niet af en Jan, die een enorm voorschot had ontvangen, zat in Amerika. Er werd besloten dat Hans Sleutelaar naar New York zou vliegen met de opdracht dat manuscript uit Jan z'n vingers te rukken. Daar was een enorm bedrag mee gemoeid, veel meer dan De Bezige Bij in die tijd op tafel kon leggen. Onze uitgever is toen met een lening financieel bijgesprongen; een soort vriendendienst. Later heb ik Jan op het kantoor van De Bezige Bij ontmoet. Uit erkentelijkheid heeft hij me toen drie gouaches gegeven de sindsdien op mijn werkkamer hangen.'
Polak - in het bezit van een omvangrijke kunstverzameling - denkt dat Cremer als schilder wereldnaam had kunnen maken als hij zich tot die tak van kunst zou hebben beperkt. Dat in de loop van de jaren zestig het niveau van zijn schilderijen hard achteruitging, was geen wonder: de aandacht van de bestsellerauteur werd door talloze andere zaken in beslag genomen. Het is een bekend verschijnsel, vindt Polak. 'De creatieve geilheid raakt op een zeker moment uitgeblust. Dat het oeuvre van bijvoorbeeld Goethe, Boutens en Leopold constant kwaliteit houdt is uitzonderlijk. Meestal vertoont een creatieve ontwikkeling golfbewegingen. Zo acht ik het heel goed mogelijk dat Jan Cremer na zijn vijftigste jaar met heel nieuw werk komt.'
De kunstenaar zelf hanteert de wapenspreuk dat het een doem is om als schrijver of schilder geboren te worden. 'Ik ga gebukt onder een dubbele doem, want ik ben alletwee en geen van tweeën kan ik loslaten.' Twintig jaar lang weerhield het schrijven hem van het Grote Schilderen, zegt hij. 'Ik heb wel veel grafiek gemaakt, maar dat was om aan het werk te blijven. Aan het Grote Schilderen kwam ik niet toe. Tijdens het schrijven aan De Hunnen heb ik vier jaar lang elke dag gedacht: laat ik als ik hiermee klaar ben in godsnaam weer gaan schilderen. Ik wil weer met mijn handen werken, ik wil weer kleur zien. Anderhalf jaar heb ik nodig gehad om weer met verf te leren omgaan. Mijn schilderijen zijn sindsdien steeds beter geworden.'

De overzichtstentoonstelling Jan Cremer 1955-1987, die volgende week in het Rijksmuseum Twenthe te Enschede geopend wordt, reist na 16 oktober door naar musea in België, Zwitserland, Duitsland en Hongarije. Ter gelegenheid van de expositie verschijnt bij de Staatsuitgeverij een uitgebreide monografie van Jan Cremer. Benteli-Verlag in Bern publiceert een omvangrijk boek over Cremer met teksten van de kunstcritici Freddy de Vree en Paul Restany.