Een leven lang....
Zoeken
‘Ik spring van de ene schots op de andere’
Schrijver Cremer, Jan
Bron De Volkskrant
Publicatiedatum 17-01-2003
Interviewer Arjen Peters
Titel interview 'Ik spring van de ene schots op de andere'

Als kind in Enschede, dicht bij de grens, wilde Jan Cremer (1940) maar een ding: eroverheen, 'het oneindige' tegemoet. Die drang is gebleven. Vandaag verschijnt De wilde horizon (De Bezige Bij; 19,90), zijn reisverhalen uit de jaren zeventig over Lapland, Groenland, Siberië en Mongolië. Waar hij ook steeds weer de kriebels kreeg. 'Wees niet bevreesd jongen: plannen genoeg.'

'Een paar fragmenten uit de verhalen in De wilde horizon hebben in de jaren 1971-1973 in Avenue gestaan. Nooteboom en Hermans schreven in dat blad. Toen werd aangekondigd dat Jan Cremer voor Avenue op reis zou gaan, kregen ze al boze reacties. Al te bont kon ik het niet maken. De wilde horizon is mijn meest kuise boek. Ik bedoel: ik schrijf wel dat ik naar stewardessen kijk of dat bepaalde vrouwen in Lapland en Siberië vroegen of ze mee naar mijn slaapkamer mochten, maar daar houdt het verslag op. Ik observeer en ben onzichtbaar. Dat wilde ik hier ook: het gaat mij om de reis - denk aan de verhalen van ontdekkingsreiziger Heinrich Harrer of Joseph Conrad -, en niet om mijzelf. Het is geen Ik Jan Cremer Drie. Wat hier niet in staat, is dat ik in de eskimo-nederzetting Umaniak nog ben getrouwd met de 16-jarige Miss Poolnacht 1971. Wat daar trouwen heet dan: met veel gefluit en getrommel komen die eskimo's dan bij elkaar. Kort heb ik overwogen in een iglo te gaan wonen en een hondenkennel te beginnen. Na een paar dagen dacht ik: "Jezus man, wat moet ik hier?" Wilde ik weer weg.'

'Ik woon afwisselend in Amsterdam, New York, Parijs en Toscane. Ik schrijf en ik schilder: als het op de ene schots te warm wordt, spring ik over op de andere. Bind me nooit ergens, raak niet in een kliek verzeild - het schrijverswereldje en het schilderswereldje zijn even erg. Dus altijd op tijd weer weg. Ongrijpbaar, transparant. Als ik ga vliegen, ik zie de deuren dichtklappen en we stijgen op, dan voel ik geborgenheid. Aankomst vind ik jammer. Vlieg maar lekker door, weet je wel. Ik heb ooit een jaar op de Seychellen gewoond. Paradijselijk eilandenrijk. Maar jongen, dat gaat je vervelen! Nou, dan ga ik meteen weer de barre donkerte in.'
'Die reportages lagen in een kluis in New York. Ik heb ze te voorschijn gehaald omdat tientallen mensen die die stukken destijds hadden gelezen, me bleven vragen om een boek. En ook omdat het IJzeren Gordijn inmiddels is gevallen. Dit is de perfecte reisgids voor die landen, en tegelijk een historisch document. Alles wat ik beschrijf, is eerst door mij gezien. Cees Nooteboom doet het anders. Goede schrijver, maar hij wil altijd laten merken welke boeken hij gelezen heeft. Ik moet het van de eigen waarneming hebben, begrijp je, en van mijn ijzeren geheugen.'

'De titel van mijn verhaal "Landingspoging op Groenland" verwijst naar Een landingspoging op Newfoundland uit 1957 van Willem Frederik Hermans. Hij had in 1962 voorpublicaties uit Ik Jan Cremer gelezen en mij aanbevolen bij Lubberhuizen van De Bezige Bij. Die gaf me vijfhonderd gulden en een typemachine. Op dat ding heb ik in Spanje dat boek toen afgeschreven. Met Hermans heb ik altijd goed contact gehouden. Een keurige heer - ik heb hem nooit Wim genoemd, altijd Willem Frederik.'
'Van Gerard Reve heb ik ook een stuk of 25 brieven. Het contact is verwaterd toen hij zijn roman Wolf uitbracht, terwijl ik die titel had geclaimd in Boekblad, voor een autobiografisch boek dat ik in gedachten had. Niet collegiaal, vond ik. Maar het is een geweldige kerel. En zijn vriend Joop Schafthuizen trouwens ook. In 1964 heeft Joop zich mij nog per brief aangeboden als slaaf en medewerker. Er was alleen geen vacature. Jaren later zag ik dat Joop bij Reve beet had, zogezegd. Leuke dingen zijn dat.'
'De schrijverswereld is altijd voor eventjes leuk. Er zijn er wel die mee wilden naar Groenland, maar toen ik een ticket over had en het kon, mocht de een niet van zijn vrouw en de ander had een zieke schoonmoeder. Ik wilde die gebieden in waar een gewone westerling niet in mocht of durfde. In die tijd had ik net een relatie achter de rug van zes jaar, en ik koos voor m'n vrijheid. Was heimatlos, een nomade. Zodoende kon ik lang wegblijven. Ik zat daar goed, in de kou en eenzaamheid tussen de rendieren en mensen die zelf hun drank stookten. Herkende iets. Komt van vroeger: mijn moeder, bijna twee jaar geleden gestorven, was een Hongaarse. Mijn vader, Jan Cremer senior, was trouwens behalve elektrotechnieker ook schrijver van prachtige romantische reisverhalen. Een avonturier: ging in driedelig pak op de fiets naar Syrië. Toen hij zo oud was als ik nu, nam hij een twintigjarig meisje uit Boedapest mee. Niemand hier kon haar mengelmoes van Hongaars, Duits en een beetje Hollands verstaan, behalve ik. Zij heeft me de liefde voor muziek en schilderen bijgebracht.'

'Ik ben geboren net voor de oorlog uitbrak, dicht bij de grens. Daarachter liepen mensen met geweren en honden. Daar komt mijn fascinatie vandaan, dat ik er dan over wil. Ook nu de EU-grenzen zijn opengegooid, voel ik ze nog steeds. Als mijn moeder over Rusland vertelde, wilde ik er meteen heen. Er is een verwantschap, en niet alleen omdat ik in wodka kan zwelgen. Blijkbaar heb ik een Slavische kop, want gisteren nog spraken Russische toeristen mij hier op straat aan. Denkend dat ik een van hen was.'
'In onze beschaving zijn de puurheid en schoonheid van die verre landen verdwenen. Veel van wat wij denken, mogen we niet zeggen, of je wordt meteen nagewezen met een bestraffend vingertje. Het afgelopen jaar volgde ik vanuit Italië wat er in Nederland gebeurde: die politiek hier was beschamend amateurtoneel. Carnaval. Ik kende Pim Fortuyn voordat hij in de politiek ging: bijzondere man, erudiet, hield van stangen en opjutten. Net als ik toen ik in 1964 "een onverbiddelijke bestseller" voorop Ik Jan Cremer zette. Harry Mulisch sprak er schande van dat ik zelf naar de Buchmesse in Frankfurt ging om mijn boek te verkopen. "Cremer marskramer", zei hij toen. Diezelfde gast is nu al jaren niet meer uit Frankfurt weg te branden.'
'Misschien raar uit mijn mond, maar wat ik zou willen is een vrouwelijke premier, en trouwens een heel kabinet van vrouwen. Nationaal, door de partijen heen. Lousewies van der Laan - fantastisch wijf, doorzetter, die moet premier worden, zou ik op stemmen, ook omdat D66 voor de natuur en de dieren opkomt -, Agnes Kant, Ayaan Hirsi Ali, Femke Halsema. Jonge vrouwen kunnen de komende vier jaar de rust terugbrengen. Wat zeg je? Jan Cremer als vaderlijke premier van zo'n vrouwenkabinet? Ben je gek jongen. Nee, wat ik bedoel: wij onderschatten de vrouwen echt.'
'Ja, ik vind het belangrijk dat er aan dieren wordt gedacht. Onze medewezens, die we zo slecht kennen. Mijn favoriete kanaal is Discovery Channel. De Amerikaanse arts die mij laatst nakeek, wilde niet geloven dat ik 62 ben. Vroeg mijn paspoort erbij. Ik heb nog nooit een bril nodig gehad, mijn gehoor is scherp, ik ga makkelijk met de grootste en wildste honden om. Als enige Nederlander ben ik twee keer tegen hondsdolheid ingeënt. Rabiës. In 1953 en in 1968. Al die 650 spuiten, met dat serum dat van honden afkomstig is, voel je wel, hebben hun eigenschappen in mijn bloed gebracht. Met dieren heb ik altijd een opvallend goede band.'

'Plannen en materiaal genoeg jongen, wees niet bevreesd. Verhalen als over Miss Poolnacht kunnen in Ik Jan Cremer Drie, waar zoveel mensen al jaren op wachten. Mijn reisverhalen over de tropen ga ik nog een keer bundelen. Nu mijn moeder is gestorven, denk ik ook aan een boek over haar. Schilderen wil ik natuurlijk. Olijfgaarden beheren, olijfolie produceren. En in Toscane wil ik de Cremer Kunstacademie oprichten: schilderles geven. Ik heb veertig jaar ervaring en weet veel van materialen. Ik kan ze laten voelen dat olieverf, die nog honderden jaren doorleeft, bestaat uit levende wezentjes. Schilderen is alchemie.'
'Alles uit ondervinding geleerd, selfmade. Heb alleen lagere school en een jaar ulo. Tot mijn vijfde sprak ik Hongaars. Om er niet buiten te vallen, ben ik op school ijverig Nederlands gaan leren. Nog steeds schrijf ik volkomen foutloos. In De Hunnen staat dat ik er op school al van droomde om schilder en schrijver te worden. Op m'n veertiende maakte ik een eigen maandelijkse krant, met strips en reisverhalen, die in België werd gedrukt: De Tukker Bode. Al in het eerste nummer liet ik lezers zogenaamd reageren: "Schitterend!" Ook schreef ik wekelijks reisverhalen over Boedapest, waar ik nooit geweest was, in "het amusante weekblad" Okido. Ik won alle prijzen met tekeningen, kreeg smeekbeden van bladen of ik niet meer wilde insturen. De prijzen waren op.'
'Als schrijver heb ik veel geleerd van Curzio Malaparte, als schilder van mensen als Ossip Zadkine en Willem de Kooning. Inmiddels ben ik wat ik altijd heb willen worden. Soms ken ik armoede en moet ik hard werken voor m'n centen, maar dat doe ik graag. Als de deurwaarder dreigt, word ik scherp. En van die centen koop ik m'n vrijheid. Ik reis in mijn boeken en ik reis in mijn schilderijen. Heerlijk! Ik zal je verzekeren: Cremer is de komende zestig jaar nog volop aanwezig. Tot 2040 zit ik vol. Voor mijn gevoel ben ik halverwege de berg die ik wil beklimmen. Er komt nog heel wat van mijn Mont Parnasse afgerold.'