Een leven lang....
Zoeken
De Hun
Schrijver Cremer, Jan
Titel Hunnen, De (3 dln.)
Jaar van uitgave 1984
Bron De Volkskrant
Publicatiedatum 28-01-1984
Recensent Ischa Maijer
Recensietitel De Hun

Januari '82 werd het contract getekend. De schrijver: 'Ik kom uit een geslacht van Duitse beroepsmilitairen en Hongaarse Jazigen, veehoudende nomaden. Helaas kan ik goed schrijven en prachtig schilderen. Daar moet ik dus mijn brood mee verdienen; want je dient je talenten te gebruiken, die je hebt gekregen. Anders was ik zeker bij te marechaussee gegaan. Grensbewaking. Streng maar rechtvaardig. Ik ben opgegroeid in Enschede, vlak bij de grens. De grens, dat is een mystiek iets voor mij. Landsgrenzen zijn onzichtbare, heilige strepen. Littekens van te oorlog.'
'Ik heb het meest verkochte en vertaalde werk in de vaderlandse historie geschreven. Dat is een onherroepbaar feit. Maar ik ben hier nooit als auteur gerespecteerd. Dit in tegenstelling tot andere landen als Duitsland, Engeland Amerika.'
'Toen mijn eerste boek in '64 verscheen en - zoals ik had aangekondigd - inderdaad een onverbiddelijke bestseller bleek, werd ik meteen, als alle beroemdheden, omringd door idioten; bedel- en liefdesbrieven, het omstreden vaderschap van diverse kinderen - dat krijg je dan. Maar waar ik echt woest om ben geworden, is het volgende. Een beruchte oplichter, maniakale recidivist, verkondigde dat ik zijn manuscript had gestolen. Nou, in elk normaal land wordt aan zoiets lachend voorbijgegaan. Zo niet in Nederland: de Officier van Justitie gaf opdracht tot verhoor. Er kwamen rechercheurs die de toenmalige Bezige Bij-directeur Lubberhuizen en mij ondervraagd hebben. Toch een gezellige middag gehad, daar niet van. Maar het heeft mij diep gegrieft.'
'Al toen ik veertien was, heb ik tegen mezelf gezegd: "Ik ga het boek van de eeuw schrijven." Ik heb er heel lang naar toe geleefd. Het was mijn plan om dit grote werk eerst in Duitsland, Engeland, Amerika te doen verschijnen; dan konden de Nederlandse uitgevershuizen later met elkaar wedijveren om de rechten.'

'In '72 was ik op reis in Mongolië en Siberië. En daar in Mongolië kwam plotseling een gevoel over me alsof ik mij op bekend terrein bevond; ik herkende alles; ik wist me daar meer thuis dan in Nederland. Ik dacht: nu is het moment gekomen om te gaan spitten, om werkelijk in het verleden te gaan graven, honderden, duizenden jaren terug. In UlanBator, de hoofdstad van Buiten-Mongolië, op dat verlaten, grootse plein met het statige theater was het mij duidelijk dat ik - eindelijk - dat boek kon schrijven over de Hunnen, waarin ik mijn eigen geschiedenis kon weven, omdat dat volk zo dicht bij mij staat.'
'Ik ben onmiddellijk begonnen mij te documenteren. Zeven jaar lang heb ik mij volledig daaraan gewijd. Eind '79 had ik geen cent meer, blut; kon zelfs geen benzine meer kopen voor mijn auto; plus een forse schuld. Reken maar uit. Acht jaar werken aan één project. Ik had alles geïnvesteerd in dat werk.'
'Niemand - ook mijn vaste vriendenkring niet - heeft al die tijd geweten waar ik mee bezig was. Ik stroopte vele bibliotheken en instituten af, bezocht zulke instellingen als het Duitse Bundesarchiv, de Amerikaanse Library of Congress, ons eigen Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, ministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken, Justitie, zowel nationaal als internationaal, de US Army Airforce - ik word namelijk wel geëerbiedigd en nauwlettend gevolgd door de niet-literaire en wetenschappelijke wereld. Ik bezocht talloze landen, steden, streken; Duitsland, Engeland, Amerika, Hongarije, de Gobi-woestijn, België en ook Twente. En ik heb ontzettend veel mensen geïnterviewd om feiten en omstandigheden te verifiëren.'
'Van mei '70 tot mei '80 heb ik het materiaal geordend en in een ruwe versie uitgewerkt. In het midden van die periode zat ik dus totaal aan de grond, zag geen enkele mogelijkheid meer om, op welke wijze dan ook, aan geld te komen. Ik heb op het punt gestaan om dierbare boeken te verkopen - dan komen er duistere types op je af, die vijfendertig gulden bieden voor een stapeltje gesigneerde en van persoonlijke opdrachten voorziene exemplaren; die gasten heb ik mooi de trap af gesodemieterd - dat ging me nou net iets te ver. Ik heb het echt heel erg moeilijk gehad. Wat moest ik in Duitsland, Engeland en Amerika met dat onaffe manuscript? Zo werken ze niet in het buitenland, hè. Dus ik ben naar De Bezige Bij toe gegaan, naar Johannes Witteman, met wie ik een buitengewoon goed contact had, en stelde mijn voorwaarden: onbeperkte tijd om het te voltooien en volstrekte geheimhouding. Witteman ging akkoord en fourneerde fors geld. Dat was een heel prettig moment, maar tegelijkertijd voelde ik me behoorlijk gedesillusioneerd; mijn boek zou niet eerst verschijnen in Duitsland, Engeland, Amerika.'
Mei '83 leverde hij de kopij in: iets meer dan tweeduizend getypte vellen, in negen ordners.
'Een Hun als ik, die bovendien ook nog eens onder het teken van de Ram geboren is, kan niet stuk. Ik zag het werken aan dat boek als een tocht door onherbergzaam gebied. Maar een Hun kent honger noch dorst, warmte noch kou. Op 20 april 1980 werd ik veertig jaar. Toen heb ik een feest gegeven voor veertig vrienden. Ik heb ze gezegd dat ik voor onbepaalde tijd wegging. Een week later was ik inderdaad vertrokken, en op 1 mei van dat jaar ben ik begonnen met dat boek.'
'Ik heb mij drie jaar lang teruggetrokken op Duits gebied. Overal van weg. Alleen met vrouw en hond. Boerenland. In de winter stond ik 's morgens op acht uur op, in de zomer tegen zessen. Eerst een kilometer lopen, om melk en brood te halen. Ontbijt. Dan was ik om negen uur op mijn post: een kale ruimte, met het uitzicht op de weilanden voor mij, en achter mij het zeven meter brede en twee meter hoge schema van mijn boek. Een hel. Elke dag weer. Zitten. Bij elke vijf voltooide pagina's mocht ik een streepje op die papieren wand achter me zetten. Dagenlang heb ik over de mistige velden zitten staren met maar een gedachte: wanneer mag ik weer een streepje zetten? Mijn minst productieve maand is geweest september '81: vijf pagina's. De beste maand was exact een jaar later: vijfenvijftig velletjes. Gemiddeld heb ik dertig per maand gehaald. Ik heb al die tijd tot 's avonds acht uur gewerkt. Zonder te eten. Koffie en thee werden voor de deur gezet, met een vriendelijk klopje; dat haalde ik dan als ik er zin in had. Ik wou tijdens het werken niemand zien. Ik heb het ook aan niemand laten zien. Ik heb er niemand uit voorgelezen. Drie jaar van volstrekt isolement. De laatste tijd heb ik ook 's avonds en 's nachts zitten werken.'
'Aanvankelijk had ik het idee dat het een boek van zo om en nabij de vijfhonderd pagina's zou worden; net als Ik Een en Ik Twee. Na mijn novelle Sneeuw had ik de gedachte: ik ben mijn publiek een lekker dik boek schuldig. Ze mochten eens denken dat ik uitgesproken zou zijn, weet je wel.'
'Het boek is onder mijn handen uitgegroeid. Dat was heerlijk. Het werd almaar groter. En het verbazingwekkende was, dat alles klopte. Stel het je voor als een gigantische machine, een duizelingwekkend raderwerk - en je plaatst een rad, waarvan je denkt: hoe zal dat in godsnaam ooit in de complexiteit van het geheel werken? En dan - soms na twee jaar - klák, flits, páts, blijkt het te kloppen! O, wat ging dat kolossale ding mooi werken. Zó gesmeerd, zó geolied. Ik had een aardige locomotief willen maken, maar het werd een stalen titaan, een feestelijke, uitbundige oorlogsmachine, een duizelingwekkend gevaarte.'
Oktober '83 was het binnenwerk afgedrukt. Drie delen. Vijftienhonderdzesendertig pagina's. 'Tenslotte bleek mij, dat dit alles nog maar een eerste helft was.'
Januari '84 was het omslag gedrukt. Uit de flaptekst: 'De Hunnen is vooral het vlijmscherpe maar ook ontroerende portret van een oorlogsgeneratie. De Hunnen - klem tussen de strijdende machten - worden in dit epos meegesleept in het oorlogsgeweld. In deze drie delen van de Hunnensaga leert de lezer de onbekende Cremer kennen. In De Hunnen presenteert Cremer de totale afrekening met de Tweede Wereldoorlog - een oorlog die niet ophield in 1945.'

'In 1947 hoorde ik tijdens de geschiedenisles op de lagere school voor het eerst over de Hunnen. Barbaarse, wrede krijgers te paard. Vol afschuw vertelde die onderwijzer daar over. En alle andere kinderen voelden afgrijzen bij het beeld dat geschetst werd van die bloeddorstige lieden. Maar ik was zeer geestdriftig; voor mij was het een groot feest der herkenning. Een Hun - dat was voor mij gelijk het mooiste dat je je maar kon voorstellen.'
'Als jongen van veertien stond ik achter de machines van de textielfabriek Transvaal. Het ging zo; ik dacht: jongens, nu ben ik gedwongen om hier te werken, maar wacht maar af tot ik onafhankelijk ben - dan ga ik boeken schrijven of liever: Het Boek.'
'Vingeroefeningen waren het tot dusver - niet méér. Ik Een is in amper drie maanden geschreven. Ik Twee heeft me drie weken gekost; vierhonderdvijftig pagina's. Nu heb ik elf jaar aan dit epos gewerkt. Kun je nagaan. Ik ben kritischer geworden. Zin voor zin is het ontstaan. Zin voor zin.'
Tot 22 februari mag niets van de inhoud bekend worden. De schrijver leidt - dat is contractueel vastgelegd - zijn eigen publiciteitscampagne; tot op het meest minieme detail houdt hij de zaak in de hand. Na lang onderhandelen mag de verslaggever noteren dat het boek speelt van april 1940 tot het moment in '56 dat de auteur als zestienjarige zich aanmeldde bij de marine.
'Nog steeds bijt ik mij vast in het devies: dit leven is een eenmansguerrilla. Daar gaat al mijn werk over.'
'Met De Hunnen heb ik geprobeerd een werk te schrijven over een oorlogsgeneratie. Je weet, ik ben geboren in 1940. Nu leven we in 1984. Bepaalde waarden zijn nog steeds heilig; ivoren torens. Het uur van de waarheid heeft geslagen. Die waarden moesten maar eens ter discussie gesteld worden. In en na die oorlog hebben - tot op dit moment - waarden gegolden, omgeven door een geheimzinnig waas; je moest er toch altijd voorzichtig langs gaan. Al die mensen, die maar bleven functioneren dankzij die waarden. Er mag nou toch eindelijk wel gezegd worden hoe die waarden werkelijk in elkaar steken. Maar dat betreft in wezen maar een heel klein deel van mijn boek. Ik ga duizend jaar terug; ik probeer een historische dimensie aan de werkelijkheid van de laatste veertig jaar te geven.'
'De Hunnen - dat is Hongarije; het land waar mijn moeder vandaan kwam. Maar de Hunnen - dat is ook voor mij dat Enschede van vlak na de oorlog, waar je toen de grootste concentratie Oost-Europeanen had van buiten Oost-Europa. Die werkten daar allemaal in de textiel. Hongaren, Polen, Koemenen, Russen. De voorlopers van de hedendaagse gastarbeiders. Een deel van mijn jeugd speelt zich af in die enclave van vreemdelingen. Ik ben blij en trots dat ik in Nederland geboren mocht worden, maar ik heb me heel lang een outsider moeten voelen, wat een grote stempel op mijn jeugd gedrukt heeft. Wij waren ontheemden. Misschien heb ik daardoor de waarden, waarover ik het in mijn werk heb, zo goed kunnen doorzien. Ik heb vanaf mijn vierde jaar een groot observatievermogen kunnen en moeten cultiveren.'
'Mijn grote verwondering was: als klein jongetje zag ik mensen in uniform. Het heette oorlog te zijn. Maar voor mij was het gewoon: het leven. Ik zag die Duitse soldaten zingend door de straten marcheren. En in het laatste jaar van de oorlog ging ik dan naar de scholen, waar die militairen gekazerneerd lagen, je kende ze, je nam een blikje mee, en daar deden ze dan wat soep in, of ze gaven je een stuk brood. Toen sloeg het uur van de bevrijding. Uit alle hoeken en gaten kwamen andere mensen in uniform, en die schoten alles kapot, en die sloegen iedereen neer, en schoren vrouwen hun hoofden kaal, en die sloten mij op in een gevangenis, een kind van vier jaar. Dat was dan vrede, dat was feest. Mijn grootste schrikbeeld was, is, nou ja, was: die stoeten, die drommen, die massa's: de bevrijdingsoptochten.'
'Voor mij begon de oorlog in 1945. En dat is de kern van mijn schrijverschap, nu uitgekristalliseerd in het werk De Hunnen - althans: voorlopig. Want ik sta pas aan het begin van mijn loopbaan. Dit is, tóch, wéér een aanloop tot mijn meesterschap geweest. Ik zie het beslist niet als een afgerond gedeelte van mijn leven. Het is wel zo, dat als dit boek uitgekomen is, ik het niet meer over mijn jeugd zal hebben. Dat is nu een afgedane zaak. Ik heb vaarwel gezegd tegen mijn kinderjaren. Een bevrijding. Ja. Ik heb nu pas de bevrijding meegemaakt.'