Een leven lang....
Zoeken
Van ondergrondse naar onderwereld met 'Ik, Jan Cremer'
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron Het Vaderland
Publicatiedatum 14-03-1964
Recensent Pierre H. Dubois
Recensietitel Van ondergrondse naar onderwereld met 'Ik, Jan Cremer'

Na de oorlog ontstond uit de in het ondergronds verzet gestichte uitgaven-reeks De Bezige Bij de bovengrondse uitgeverij De Bezige Bij, die zich in de loop der jaren ontwikkeld heeft tot een literair bedrijf van betekenis, met ondernemingslust en durf, gedragen door een niet onaanzienlijk deel van de naoorlogse jongere auteurs en door een geest die men de geest van Verzet zou mogen noemen. Een aantal van deze auteurs die De Bezige Bij tot een belangrijke uitgeverij hebben gemaakt, houdt de firmanaam nog altijd hoog. Maar de laatste tijd is er een duidelijke kentering gekomen in de aard en de waarde van de vele publicaties die hier verschijnen en die verontrustend is in de mate waarin ze symptomatisch lijkt voor opvattingen die in het vlak van de literatuur en van de kunst in het algemeen hand over hand toenemen.
Dat zou op zichzelf iedereen onverschillig kunnen laten, onder het motto dat iedereen maar op zijn eigen manier zalig moet zien te worden, maar de zaak is dat De Bezige Bij verplichtingen heeft tegenover die geest van verzet, waarover J.B. Charlos in Volg het spoor terug en Van het kleine koude front zulke behartenswaardige dingen heeft gezegd; en verder dat De Bezige Bij de reputatie had de avantgarde in de letteren te vertegenwoordigen, waardoor het misverstand zou kunnen ontstaan dat de boeken die thans geregeld hier verschijnen tot de letteren gerekend dienen te worden.
Dat is lang niet altijd meer het geval en men kon op grond van uitgaven uit de laatste tijd al van mening zijn dat men hier met een geval van valsemunterij te maken heeft. De politiek die onder het mom van literaire progressiviteit wordt bedreven, krijgt meer en meer het karakter van een tamelijk gewetenloze commerciële schandaalpolitiek, waarbij het talent van de betrokken auteurs van minder belang werd geacht dan het vermogen van hun werk om schandaal te wekken. Auteurs als Ewald Vanvugt of Develing behoeft men nog allerminst talentloos te vinden om van mening te zijn dat zij, alle rumoer ten spijt, niet alleen niet tot de avantgarde van de literatuur behoren, maar gevaar lopen de literaire normen te vervalsen. Over die normen kan men echter eindeloos en uitgebreid discussiëren en zozeer alles tot een aangelegenheid van persoonlijke smaak of inzicht herleiden, dat de discussie hier elke zin verliest.
Dat lijkt mij niet meer het geval met de uitgave van een boek als Ik Jan Cremer, de pseudo-autobiografie van iemand die als 'Het Woeste Beest', 'Barbarist', 'Cultuurnozem' en dergelijke al eens eerder in de publiciteit heeft gestaan. Het boek is een pseudo-autobiografie, omdat het alleen maar op autobiografische feiten geïnspireerd is en voor de rest als een roman moet worden beschouwd, zoals Cremer in een radio-interview de wereld heeft kond gedaan. Een soort moderne schelmenroman. Maar het feit dat de hierin verwerkte avonturen en relazen grotendeels het resultaat van fantasie zijn, maakt ze niet onschuldiger.
Ik bedoel hier niet de seksuele grootspraak en de ruige terminologie, die weinig verrassends hebben kunnen, maar vooral de onverholen lijnrecht sadistische ontboezemingen, die op een dusdanig fascistische geestesgesteldheid wijzen, dat men niet anders meer kan constateren dan dat De Bezige Bij, die met dit werk haar fonds gemeend heeft te moeten verrijken, van de ondergrondse in de onderwereld is beland. De mentaliteit van het boek is van een debiel infantilisme, dat men de auteur bezwaarlijk kan aanrekenen. Er bestaan zulke lieden en ze zijn misschien talrijker dan wel eens wordt gedacht. Het gaat niet om Jan Cremer, maar om De Bezige Bij, die onder het mom van progressieve openhartigheid en vrijmoedigheid, in werkelijkheid uit een amalgaam van alle mogelijke eigenschappen, waartegen De Bezige Bij is opgericht, een hoeveelheid vuil als literatuur in de handel brengt.
Ik wens uitdrukkelijk te verklaren dat ik tegen alle verbiederij ben en dat zelfs de uitgave van pornografie mijnentwege niet behoeft te worden vervolgd. Maar een uitgeverij die dit soort boeken als literatuur aan de man probeert te brengen, pleegt een betreurenswaard bedrog dat behoort te worden gesignaleerd. Het boek dat al op het omslag van de eerste druk als 'n onverbiddelijke bestseller wordt omschreven en waarvan de auteur het standpunt huldigt, blijkens een bijgevoegd 'persbericht, 'liever berucht dan onbekend' te zijn zal in zijn 'stunt' wel weer slagen: er zijn tenslotte nieuwsgierige lieden genoeg die graag door dit soort morele viezigheid geprikkeld worden. De vergissing zou zijn te menen dat een dergelijk 'succes' de literaire betekenis aantoont van wat men beter zelfs met handschoenen niet kan aanraken.
De auteur - als er van een werkelijk auteur sprake is tenminste, want het lijkt er veel meer op dat men hier te maken heeft met een soort van rewriting door een of meer verwante geesten die zich tot dergelijke documentaire 'levensmanifestaties' voelen aangetrokken - is kennelijk geïnspireerd door auteurs als Henry Miller, Donleavy, W.F. Hermans en anderen, in de veronderstelling blijkbaar dat als hij nog maar meer 'durft' dan zij, hij een nog wel groter schrijver zal zijn. Een ongelukkige inspiratie, want zijn voorbeelden, hoezeer van verschillend formaat, zijn geen belangrijke schrijvers vanwege dit soort durf, maar vanwege een schrijverschap dat de durf om te schrijven wat noodzakelijk voor hen was impliceerde. Het schrijverschap brengt de durf, niet de durf het schrijverschap mee; het eerste misschien niet altijd, maar het laatste zeker nooit. Bovendien, waar schuilt de durf tot dit exhibitionisme in een boek waarin het aan de meest elementaire beschaving ontbreekt, die er prat op gaat het burgermansfatsoen te braveren, maar dat geen onderscheid weet te maken tussen schofterigheid en fatsoen? Vandaar ook het andere misverstand dat de primaire spier- en klierreacties in dit boek beschreven, iets met 'leven' of 'levensmanifestaties' van doen zouden hebben.
Dat deze misverstanden bij Cremer bestaan, kan niemand hem kwalijk nemen. Maar dat een uitgeverij, die beter weet, deze misverstanden opzettelijk bevordert en de Ondergrondse voor de Onderwereld verloochent, maakt haar procédé's alleen maar verachtelijk.