Een leven lang....
Zoeken
Ik Jan Cremer literatuur van de vuistslag : een kind van het volk
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron Het Parool
Publicatiedatum 21-03-1964
Recensent Hans Sleutelaar
Recensietitel Ik Jan Cremer literatuur van de vuistslag : een kind van het volk

Ik Jan Cremer, opgedragen aan Jan Cremer en Jayne Mansfield, heeft drie motto's waarvan de definitie van een held ontleend aan W.F. Hermans, misschien de uitdagendste is: 'Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest'. In eerste instantie past die omschrijving niet op de held van Cremers boek. Cremer beschrijft in bijna driehonderdvijftig dichtbedrukte bladzijden zijn eigen leven, of in elk geval zoveel als hij van zijn leven kwijt wil. (Hij waarschuwt de lezer dat de personen en situaties, in zijn boek beschreven, uitsluitend uit zijn verbeelding voortkomen.) Volgens gewone maatstaven is Ik Jan Cremer in hoge mate onvoorzichtig geweest, maar hij is er, gemeten naar die maatstaven, ook voor gestraft.
Jan Cremer is elf als hij, en hij niet alleen, zijn naam voor het eerst gedrukt ziet. In de zomer van 1951 meldt Het Vrije Volk in het verslag over een vakantiedorp voor de straatjeugd zijn optreden als hoofdredacteur van de dorpskrant. Twee jaar later trekt hij publiek als leider van Studio Tukker en hoofdredacteur van De Tukkerbode, bijlage van De Kleine Zondagsvriend, een in Antwerpen verschijnend jeugdblad. Hij vult zijn maandelijkse bode met moppen, raadsels, zelfgeschreven ingezonden brieven, kolderverhalen en een wildwestfeuilleton Vuurwater. Zijn held, genaamd Mok Gribus, baant zich een weg door een barre wereld, onder titels als 'Mok Gribus en de Japanse Nachtegaal', 'Mok Gribus in Amerika', 'Mok Gribus en de zwarte Picardo'. Hij wint een paar (eerste) prijzen in opstelwedstrijden van concurrerende jeugdpagina's met koelbloedig vertelde gruwelsprookjes: de ervaring had hem geleerd dat lezers het meest vatbaar zijn voor bloed, zweet en tranen.
Tussen '54 en '57 verdwijnt hij spoorloos van de pagina's. Sindsdien maakt zijn onemanshow een niet eindigende tournee door alle centra en achterhoeken van de Nederlandse pers. Meest bekende nummers van het repertoire: Het Woeste Beest, Kunstvijand Nummer 1. Barbarist, Cultuurnozem. Laatste nummer: Bestsellerauteur.
Maar wat gebeurde er achter de legende? Ik blader door het beeldverhaal dat hij bezit van zijn leven (vanaf begin '56 tot vorige week zaterdag), vastgelegd in ongeveer drieduizend foto's. Met het verstrijken van de jaren worden de foto's royaler van formaat, beter van kwaliteit, geraffineerder van camera-instelling. Het decor wisselt, zonder veel te veranderen: binnen- en buitenlandse steden, ateliers, stranden. De requisieten variëren: petten, valhelmen, blonde, donkere, korte, lange haren, andere vriendinnen, andere vrienden. Drieduizend foto's, drieduizend vermommingen: samen een chaos, maar een chaos waar systeem in zit. Het is het systeem van iemand met een meer dan alledaagse hekel aan anonimiteit. Het staat te lezen in een blik die achter alle maskers steeds gelijk blijft, recht op de camera gericht.
Ik kijk Jan Cremer aan. Nu ze bewegen blijken de ogen lichtblauw, waakzaam, door de wol geverfd. Ze wisselen snel van uitdrukking en zijn vaker bereid tot lachen dan een vreemdeling zou denken. Wie is Jan Cremer? Wat zijn de feiten? Hij verwijst naar zijn boek. Wat hij niet kwijt wil, mag niemand weten. Ik kan hem geen ongelijk geven.
Later, misschien een uur later schieten hem vijf, zes typeringen van Jan Cremer te binnen, waarvan deze het minst op een slogan lijkt: 'Ik ben een kind van het volk, door het volk en voor het volk.'
Cremers boek is een aaneenschakeling van de moeilijkheden die de held zich op de hals haalt, van de netelige situaties waarin hij verwikkeld raakt. Het is het verslag van een eenzame stormloop tegen de instellingen, gebruiken en spelregels waardoor het maatschappelijke evenwicht moeizaam in standgehouden wordt. Als zodanig is Ik Jan Cremer te vergelijken met Voyage au bout de la nuit van Céline. Het is primitiever en misschien ook naïever dan de roman van de Fransman. Maar het heeft eenzelfde verbetenheid, een overeenkomstige drang om tot uitersten te gaan, en in zijn geslaagdste passages een niet geringere kracht, een niet minder dodelijke humor. Het doet denken aan de eerste zin van Portrait de notre héros, een beschouwing over de moderne roman door R.M. Albérès: 'Un roman, un vrai roman de notre temps, avec sa fade et sensuelle réalité, nous étourdit comme un coup de poing au visage.' Ik Jan Cremer hoort thuis bij de literatuur van de vuistslag.
Cremer begint zijn boek met de beschrijving van zijn geboorte aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog. Hij besluit het met een droom, waarin eerst in zijn bijzijn een oude man wordt onthoofd en waarin hij later als verdachte op hardhandige wijze wordt ondervraagd, een nachtmerrieachtige zelfbestraffing. Daartussen speelt zich, verdeeld over acht hoofdstukken, met titels als 'Iene miene mutte', 'Op zoek naar Arthur Rimbaud' en 'Mondo Cane (1940 - )', een leven af dat (alweer volgens de gewone maatstaven) nauwelijks is begonnen, maar waarvan de rusteloosheid gelijke tred houdt met de overstelpende ervaringen die van die rusteloosheid het gevolg zijn. Het portret dat Cremer van zichzelf tekent, is het beeld van een opgejaagde, op zoek naar zichzelf, van iemand die niet aan de orde en regelmaat kan wennen, die het ene ogenblik alles aan zijn laars lapt, om het volgende ogenblik, zonder overgang, zonder een redelijke motivering, te vluchten in de ergste dwang die er is.
Cremers zelfportret vertoont trekken van de romantische zwerver, of van de avonturier van alle tijden, in een moderne schakering, geschoold in hedendaagse lusten, listen en lagen, voorzien van een hedendaagse uitrusting (het leren pak van de wegpiraat) of gekleed in het uniform van het Vreemdelingenlegioen. Aan de zelfkant van de samenleving, die tegelijk beperking en bevrijding, dwang en bandeloosheid betekent, is Ik Jan Cremer ('Ik' fungeert in deze combinatie als een uitdagende voornaam) tot alle gedaanteverwisselingen in staat.
Hij is beurtelings bediende, smokkelaar, kladschilder, kunstschilder, zeeman, marinier, soldaat, klaploper, protégé, veelbelovend jong artiest met een beurs en versierder. Hij is minnaar, huisvader, tiran, zoon, gevangene, vriend en geweldenaar. Maar hij verwisselt van al die beroepen, attitudes of dwangposities zonder blikken of blozen, zonder een schijn van wroeging of berouw. En in zoverre is hij dus wel degelijk 'straffeloos', volgens een eigen cynische of ironische maatstaf. Het beeld dat de auteur van zichzelf geeft, ontleent zijn kracht aan een gewelddadige vereenvoudiging (die overigens een erg authentieke indruk maakt), waardoor Ik Jan Cremer een legendarische figuur wordt, een moderne Vliegende Hollander voor wie het vaderland te klein is en die met dezelfde onbekommerdheid de nationale grenzen overschrijdt als waarmee hij de zorgvuldig afgemeten onderscheidingen tussen wat wel en wat niet geoorloofd is achter zich laat.
Door die picareske vereenvoudiging overtreft Cremer met zijn boek alle humeurige zelfbekentenissen waarop wij in de literatuur van ons land de laatste jaren zijn vergast en waarmee het verzet tegen de gevestigde orde wordt gevoerd. Cremer gaat verder dan zijn voorgangers omdat hij met minder culturele of religieuze ballast is belast. Hij is vrij van zelfbeklag en wordt niet gehinderd door een geweten dat zich zowel met de beul als het slachtoffer vereenzelvigt. Hij is niet uit op begrip maar op een blinde zelfbevestiging. Daardoor onthult hij, op een primitieve schokkende wijze, het barbaarse stramien waarop onze samenleving is opgetrokken. Alleen al daardoor is Ik Jan Cremer een nuttig boek. Behalve dat is het dikwijls ook aangrijpend, beklemmend en amusant.
Dwars door de indeling in hoofdstukken heen heeft Cremer zijn boek verdeeld In honderdvijftig fragmenten van ongelijke lengte, waarmee hij zijn vulkanische erupties heeft gekanaliseerd. Sommige fragmenten zijn niet langer dan enkele regels en bevatten niet veel meer dan een anekdote, een aanvulling op vroegere onthullingen, een stukje illustratie of beschouwing. De langere fragmenten beslaan tot een tiental bladzijden en zijn min of meer afgeronde verhalen met toch altijd een episodisch karakter. Soms zijn het beschouwende intermezzi, zoals het ontwapenende ontwerp van een scatalogische psychologie (de w.c als het enige plekje thuis of waar dan ook waar je jezelf kan zijn').
Deze over ongelijke fragmenten verspreide constructie van het boek is niet nieuw, maar zij is uiterst bruikbaar voor iemand die niet de bedoeling had een gewone roman te schrijven, iemand die putte uit een chaotische volheid en kennelijk op uitbarsten heeft gestaan. De methode brengt tempo in een boek van een dergelijke omvang, stelt de schrijver in staat zichzelf in de rede te vallen, een bepaald gebied van zijn ervaringen te verlaten zonder tekst en uitleg te hoeven geven, en nieuwe avontuurlijke wegen in te slaan. Deze methode, gevoegd bij een persoonlijk woordgebruik (een 'ruwe' taal die als vanzelfsprekend wordt gepostuleerd), een geweldige gedrevenheid en een grote vertellersgave, bezorgt Ik Jan Cremer zijn spanning, zijn intrigerende vuistvechtersdrift. Het lijdt geen twijfel dat Jan Cremer kan schrijven en dat hij beseft waar zijn kracht schuilt, zoals een goed bokser dat weet. Zijn vuistslag is raak en stelt in één klap een heleboel boeken buiten gevecht. Aan de gevoelige, speelse, experimentele, virtuoze, intelligente literatoren de taak de schade te herstellen.