Een leven lang....
Zoeken
Barbaar Jan Cremer als knap amuseur
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron Het Vrije Volk
Publicatiedatum 21-03-1964
Recensent Alfred Kossmann
Recensietitel Barbaar Jan Cremer als knap amuseur

'n Onverbiddelijke bestseller - dat staat links boven op de omslag van een boek dat Ik Jan Cremer heet en als literaire reuzenpocket bij De Bezige Bij is verschenen. Men ziet verder op dat omslag de foto van een strak voor zich uit kijkende jongeman op een motorfiets. De auteursnaam hoefde niet te worden vermeld, die was al in de titel verwerkt.
Een onverbiddelijke bestseller behoort volgens de wetten van onze taal te betekenen, dat het boek geweldig verkocht is en dat het onverbiddelijk (door bidden niet tot andere gedachten te brengen) over een of ander onderwerp handelt. Maar ik denk, dat de uitgever en de schrijver iets anders bedoelen, namelijk dat het boek zonder twijfel veel verkocht zal worden. Ze konden daar wel eens gelijk in hebben, want deze autobiografie heeft op z'n minst de verdienste boeiend en ongewoon te zijn. Zo ongegeneerd, ongenuanceerd, plat is door een geboren verteller nog nooit in onze taal geschreven.

Zwak begin
Ik Jan Cremer begint nogal zwak, met verwarrende jeugdherinneringen aan beroerde schoolmeesters en voogden en opvoedingsgestichten. De auteur overdrijft, fantaseert, slaat door, in een stijl waarin nog heel wat herinnert aan doodgewone slechte journalistiek. Hij begint bijvoorbeeld zijn derde hoofdstukje met deze zinnen: 'Op een avond was er weer luchtalarm. Het gierde over de slapende stad. Loeiende sirenes en brandende vliegtuigen bepaalden de atmosfeer.' Maar deze naïeve stijl verdwijnt allengs, maakt plaats voor een praatstijl vol schuttingwoorden en barbarismen (à la de formulering 'n onverbiddelijke bestseller) en Cremers tumultueuze ervaringen laten zich er uitstekend in vertellen.
Hij praat, met opzet verward, over zijn kindertijd, over zijn mislukte leertijd op verschillende academies voor beeldende kunsten, over zijn vluchten uit opvoedingsgestichten, over zijn zwerftochten, over een periode als soldaat in het vreemdelingenlegioen, over zijn leven op Ibiza. Hij stelt zichzelf voor als een volslagen anarchist, bezeten door agressie, seksualiteit en de wil om beroemd en rijk te worden. Zo nu en dan voegt hij een sadistische of sadomasochistische fantasie in, en met een gefantaseerde martelscène sluit ook het boek. 'Wordt vervolgd' staat eronder.
Ooggetuige Cremer is 'aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog' geboren, zoals hij zegt, en hij was dus nog een klein kind toen de oorlog was afgelopen. Desondanks schrijft hij, alsof hij ooggetuige en statisticus tegelijk is geweest, dat één derde van de vrouwelijke bevolking van ons land cohabiteerde met de bezetter en dat de helft van alle Nederlanders fout was. En hier volgt een verslag van wat hij voorgeeft te hebben gezien. 'Tien mannen trappen de deur in en komen even later met het spartelende meisje naar buiten. Ze is vol blauwe plekken geslagen, haar hoofd is kaal geschoren en op de open vrachtwagen wordt zij verder behandeld. Over haar halfnaakte lichaam wordt gloeiende teer gegoten, en ze wordt beplakt met kippeveren. Op haar voorhoofd wordt een hakenkruis geschilderd, zij was een moffenhoer. Haar vader krijgt een hartaanval, haar moeder valt in katzwijm voor de wielen van de vrachtwagen, maar een gelaarsde BS'er schopt haar opzij in de goot.' Moet men hem geloven? In dit geval kan men antwoorden: nee. Maar hoeveel waarheid is er dan in al die andere barre beschrijvingen van barre gebeurtenissen? En wil Jan Cremer wel dat men hem gelooft?

Harde humor
Er is een harde humor in het boek, die doet vermoeden dat hij wel beter weet, dat hij opzettelijk, om te choqueren, met sardonisch plezier onware gruwelijkheden vertelt, zoals hij indertijd in een TV-interview de onwaarheid lanceerde nog nooit van Rembrandt te hebben gehoord. Hij wil beroemd worden, zegt hij, en de weg via de sensatie trekt hem blijkbaar het meest. Voor sensatie zal hij dus zorgen, in leven en werken. Bij het lezen van dit boek, dat na het vervelende begin heel boeiend wordt, denkt men natuurlijk aan de ongegeneerde Amerikanen Henry Miller en Kerouac, die grote invloed beginnen uit te oefenen in de Nederlandse literatuur. Maar de twee Amerikanen zijn, als schrijvers, toch anders geaard, oneindig veel genuanceerder, filosofischer, minder journalistiek. Miller legde rekenschap af, was op zoek naar zichzelf, verklaarde in zijn grote boeken waarom en hoe hij alles in de steek liet en in Parijs het onbarmhartige leven van een zwerver ging leiden. Kerouac schilderde in zijn onvergetelijke On the road die beatniks vooral als argeloze asocialen op zoek naar een waarheid en werkelijkheid, die zij in de normale maatschappij niet konden vinden.

Sensatielust
Cremers gretig erkende sensatielust en roemzucht zijn van heel andere aard, en ook met de duidelijk door hem bewonderde autobiograaf Gerard Kornelis van het Reve is de gelijkenis enkel uiterlijk. Ik moest bij de lectuur van Ik Jan Cremer aan twee andere auteurs denken, fascinerende opscheppers net als hij. Aan Frank Harris, wiens My life and loves uit de jaren twintig zoveel mogelijk ware en onware sensaties leverde, ongeordend en journalistiek. En aan de filmacteur Errol Flynn, die zich dood heeft gedronken en in My wicked, wicked ways over zijn avontuurlijke leven met behagen vertelde. Wie is Jan Cremer nu? Men weet het niet als men zijn boek uit heeft. Men weet alleen hoe hij wenst dat men hem ziet: als een groot avonturier, als een geniaal schilder, als een krachtpatser, als een man die (ik citeer de tekst op de achterkant van de omslag) 'een eenmansguerrilla voert waarvan romantiek, sex en sensatie de motor zijn'. Nu aan al deze karakteristieken kan men er in elk geval nog één toevoegen. Hij is een knappe amuseur.