Een leven lang....
Zoeken
Pervers van de pers : schokliteratuur komt in de mode, en wie beschermt de tegenwoordige jeugd?
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron Panorama
Publicatiedatum mei 1964
Recensietitel Pervers van de pers : schokliteratuur komt in de mode, en wie beschermt de tegenwoordige jeugd?

Met 'n onverbiddelijke bestseller is een nieuw talent toegevoegd aan onze moderne literatuur: de vijfentwintigjarige Jan Cremer. Als een met verf smakkend barbaar, die 'Rembrandt, wie is dat?' roepend een miljoen voor eigen meesterwerk van op linnen leeggeknepen tubes bedong, deed hij vier jaar geleden voor het eerst van zich spreken. De kunstsnobs waren onmiddellijk 'in'. Nu hebben ze hem tot schrijver verheven.
Nadat Cremer met een debuut in het avant-gardetijdschrift Gard Sivik baardige en puistige fans rond zich had verzameld, ging een lading van enige honderden door hem betikte velletjes naar De Bezige Bij. Het zat meteen 'lekker'. Zonder zijn lectoren te hebben geraadpleegd gooide de uitgever er een Literaire Reuzen Pocket tegenaan, die het in de Boekenweek beter deed dan zijn door theologische hoogleraren samengestelde bijbeluitgave Jesaja.
Ik Jan Cremer is troef. Omdat de eerste druk (vijfduizend exemplaren) de winkels uitvloog, ligt er alweer een tweede (tienduizend exemplaren) in de etalages. Jeugdige handen grissen de stapels weg. In Amsterdam zie je zestienjarige meisjes op de tram hevig de erotische ontboezemingen van deze vrijbuiter in zich opnemen. HBS-jongens kennen het boek beter dan de letterkundige werken, die worden besproken in de klas. Films boven de achttien mogen ze nog niet zien en in een drankzaak hoeven ze niet om een maatje jenever te komen. Maar de seksuele overstapjes van Jan Cremer liggen voor een week zakgeld binnen hun bereik. Het is kunst, dus mag het.
Al op een afstand van vijfentwintig meter kan je de onverbiddelijke bestseller herkennen. De auteur staat ten voeten uit op de kaft. Zijn lijffotograaf Wim van der Linden, alias Dodgers, vereeuwigde hem als gemotoriseerde nozem, klaar om blindelings op het publiek in te stormen. Geen bandontwerp kenschetst raker een schrijversmentaliteit. Want Cremer koestert zo'n wrok tegen de maatschappij, dat hij alles wat de orde bepaalt, aan barrels wil trappen.
In een gezwel van driehonderddrieënveertig pagina's gaat hij tekeer als een beest, knokkend met de politie, sadistische trekken uitlevend, zwelgend in verdovende middelen en drank, de ene vrouw na de andere versierend. De 'mooie meiden', 'moordstoten' en 'lekkere stukken' vallen voor hem aan de lopende band. Ze laten zich omstrengelen, afranselen, uitbuiten en sommigen blijven gedwee met de kinderen zitten.
Aan ferme schuttingstaal geen gebrek. Het liefst bedient Cremer zich van woordjes van drie letters. De opgewonden hijgstijl is doorspekt met onvervalst sloppenslang en wekt soms de indruk woordelijk te zijn opgetekend uit de mond van een groezelige bakkenverteller. Het leest vlot, dat wél. Af en toe krijg je zelfs even de indruk, dat de schrijver kan schrijven. Maar dan vervalt hij weer in passages die lager geklasseerd moeten worden dan pornografie. Want waar pornografie misschien nog iets opwekkends beoogt, poogt Cremer alleen maar weerzin te wekken.
Is Ik Jan Cremer een autobiografie? De auteur stelt voor in zijn boek dat beschreven situaties en personen uitsluitend uit zijn verbeelding voortkomen. Tegelijkertijd kiest hij echter de autobiografische vorm, drijvend op jeugdtrauma's en dito frustraties, want dat is in de mode. Hij laat zijn hoofdpersoon even onverbiddelijk Ik Jan Cremer zijn als Ik Jan Cremer een bestseller. Daarbij raakt hij zo in zijn geestelijke kronkels verstrikt dat hij werkelijkheid niet meer van wellustige wensdroom weet te scheiden.
Hoe verder men in het van grootspraak en exhibitionisme aan elkaar hangende verhaal doordringt, des te duidelijker wordt het dat er iets niet klopt. De jeugdige held beleeft méér dan in een honderdjarig leven mogelijk is. De tientallen baantjes - van afwasophaler in een lunchroom tot varkenskoppensjouwer in een vleeswarenfabriek - worden gevolgd door asfalt, avonturen, gevangenissen, zeereizen, omzwervingen door Rusland, Scandinavië, Frankrijk, Noord-Afrika, Portugal en Spanje. Hij is matroos, toneelspeler, marinier in opleiding voor geheim agent (intelligentiequotiënt 133), academieleerling in Parijs, hotelrat, kermisbokser, cowboy, onderwereldfiguur (compleet met lijfwacht), handelaar in aardstralenkastjes en zelfs vrijwilliger in het Vreemdelingenlegioen. Ondertussen intieme relaties onderhoudend met miljonairsdochters, barjuffrouwen, dichteressen, negerinnen, gravinnen, Amerikaanse fotomodellen, kasteleinsvrouwen (tot de baas thuiskomt), meisjes van plezier en welgeteld veertien balletdanseressen. 'Ze tippelen op mij,' heet dat.
Patsers, pooiers, prostituées en perverselingen vormen de min of meer vaste kennissenkring van deze criminele figuur, die volgens gedetailleerde opgave is opgegroeid in jeugdasiels en verbeteringsgestichten. Zoals te verwachten zonder resultaat. Hij smokkelt, steelt, bijt honden de neus af, steekt levende ratten in brand, vertoeft - manslag en vrouwenvlees memorerend - achttien pagina's lang op de w.c. en springt al even doldriest met pistolen om als met zijn penselen. Op bladzijde 105 staat: 'Ik duwde vliegensvlug de loop tegen zijn gezicht en haalde de haan over. Een knal en 'n suizend geluid. Zijn gezicht trok zwart weg, hij draaide om zijn as en viel van me af. Ik hoorde gemompel van de menigte en rende weg.' Vier pagina's terug: 'De scherpe punt van de kris stootte ik in zijn strottehoofd. Bloed spoot op mijn hand. Hij rochelde. Ik stak door, tot het lijf slap werd en ik het voorover liet vallen.' Een paar regels verder: 'Met de kris stak ik in de ogen, en wrong en draaide ze eruit. Een voor een. Op m'n dooie gemak.'
'Moorddadig!' zoals de fans brullen, maar dan met een ander accent. Op de achterflap van het door Cremer aan zichzelf en Jayne Mansfield(!) opgedragen cultuurwerk wordt over een verbluffend persoonlijk en gloedvol geschreven literair debuut gesproken. Het staat vast - zo heet het dat Jan Cremer met dit boek zijn vele glorieuze titels kan aanvullen met die van rasschrijver! Het is 'het koelbloedige ooggetuigeverslag van een eenmansguerrilla, waarvan romantiek, sex en sensatie de motor zijn ... het avontuurlijke leven van een moderne piraat, desperado en playboy...'

Wie is verantwoordelijk voor deze waanzin? Jan Cremer! Is hij een met fascistische en sadistische neigingen behept psychopaat? In ieder geval een hoogst gevaarlijke jongen. Een klaarblijkelijk pathologisch geval, dat in zich de infectiehaard draagt, die onze opgroeiende jeugd kan besmetten.
Zo men Cremer als patiënt niet aansprakelijk mag stellen, dan toch zeker degenen, die hem tot schrijver hebben gekroond. De nieuwe letterkundige elite, die al of niet marihuana rokend, maar in ieder geval moraliteit verloochenend de lakens uitdeelt en zo vol van haar innerlijke leegte is, dat zij die bijna gewelddadig aan anderen wil opleggen. Zij vormt een clan, die zweert bij alles wat pervers van de pers komt. Hoe negatiever hoe liever! Er gaan geruchten, dat Cremer zijn boek niet zelf zou hebben geschreven. Anderen zouden het op zijn aanwijzingen op papier hebben gezet. In dit verband hoort men namen als Simon Vinkenoog en Cornelis Bastiaan Vaandrager. Twee leden van de Gard Sivik-groep, die naar verluidt schrijvers 'maken', zoals de industrie draagbare radiootjes, closetrollen of tuinkabouters maakt. Maar de uitgeverij spreekt dit beslist tegen.
Oscar Timmers, eindredacteur van De Bezige Bij, zegt: 'De bemoeienis van Vaandrager en Vinkenoog heeft zich tot de rangschikking van de velletjes tekst beperkt. Cremers boek is uit losse fragmenten opgebouwd, en die zijn kriskras door elkaar geschreven. Een nogal chaotisch geheel, dat in een bepaalde, chronologische volgorde moest worden gelegd. Verder is er absoluut niets aan het manuscript gedaan, behalve dan dat ik bij het persklaar maken enkele fragmenten en een paar kleine zinnetjes heb moeten schrappen.'
Wat De Bezige Bij zo vlot tot uitgave bewoog? 'Geen commerciële bedoelingen. Die komen er natuurlijk wel bij, maar pas in de tweede plaats. Wij vinden werkelijk dat deze jongen iets heeft te zeggen. Wij zijn altijd op zoek naar nieuw talent. Toen de eerste fragmenten van het boek ons via Vinkenoog bereikten, hebben we onmiddellijk een soort optie genomen. We zagen er iets in. Als uitgever heb je de taak jonge mensen kansen te geven en aan te moedigen, zodat ze zich verder kunnen ontwikkelen. Cremers debuut belooft heel wat. Het is een uitdaging aan de Nederlandse literatuur; een wakkerschudder.'
Draagt een zichzelf respecterend uitgever geen verantwoordelijkheid ten opzichte van de opgroeiende jeugd? 'Het zijn geen kasplantjes. Trouwens, niet wij laten de jongens en meisjes Cremer lezen. Wij verkopen die boeken toch niet.'

Nee, uitgevers verkopen geen boeken. Dat doet de boekhandel en daarmee is de kous blijkbaar af. De Bezige Bij wast haar handen in onschuld en gaat rustig verder met drukken. ('Tachtig boeken per jaar, waaronder maar drie van die twijfelgevallen.') Maar de zaak wordt minder onschuldig, wanneer blijkt wát de keuze van schrijvers zoals Jan Cremer bepaalt. Dat is - en De Bezige Bij zegt het zélf - een onder de middelbare schooljeugd gehouden enquête! Deze heeft aangetoond, dat de jongelui in grote meerderheid voorkeur hebben voor dergelijke boeken. Vooral de literatuur van Jan Wolkers is favoriet.
Wolkers, een zesendertigjarige Amsterdamse beelddhouwer, schrijft sinds 1962 sterk autobiografisch getinte verhalen en romans. Ook toneelstukken. Na de grote glansperioden van respectievelijk Anna Blaman (Eenzaam avontuur), Gerard van 't Reve (De avonden), Willem Frederik Hermans (De donkere kamer van Damocles, in filmversie: Als twee druppels water), en nog niet zo lang geleden Harry Mulisch (Voer voor psychologen), is Wolkers met zijn zogenaamde bekentenisliteratuur in de mode. Iedereen is het erover eens, dat hij schrijven kan. Hij boeit, ontroert, schetst in een paar zinnen sfeer, maar maakt tegelijkertijd onpasselijk door schaamteloos in te gaan op de finesses van elke daad en gedachte. Zijn onderwerpen zijn op zijn minst vreemd. Toen de schrijver eens in het kunstenaarscentrum Bergen (N.H.) uit zijn werk voorlas, liepen er nogal wat mensen de zaal uit. Vele kunstminnende Bergenaren waren het met de loco-burgemeester eens, dat de grens van het toelaatbare hier was overschreden. De in grote oplage verkochte boeken Kort Amerikaans (in nog geen anderhalf jaar negen drukken!) en Een roos van vlees - beide uitgekomen bij J.M. Meulenhoff - zijn eigenlijk registraties van een ziektebeeld. Wolkers schildert hierin morbide figuren in morbide situaties: de door eenzaamheid, schaamtegevoelens en levensangst verknipte kunstenaar, die een gipsbeeld boven een jong meisje verkiest; de door schuldcomplexen en waanvoorstellingen getergde astmalijder, die de dood van zijn dochtertje wreekt door zelfbestraffing. Het eerste boek leidt tot een weerzinwekkende moord; het tweede is één gruwelijk angstvisioen van dood, bederf, verrotting.
Vertwijfeld zet Wolkers zijn figuren neer in een wereld, die niets meer te verwachten biedt. Hij zegt zelf dat hij moedwillig spoken oproept, omdat een spook, zodra het zichtbaar wordt, minder vreesaanjagend is dan wanneer het in het duister van de geest blijft rondwaren. Hij reageert dus schrijvende zijn eigen obsessies af. Maar hij voert tegelijkertijd perversiteiten en wreedheden in, die opzettelijk aandoen en er niets mee te maken hebben. Hierdoor wordt de poging om inzicht te verschaffen tot begrip van een ontredderde generatie moeilijk doorgrond. Vooral jongeren staren zich blind op de sensatie. Als ze eraan proeven, raken ze in trance, en als het boek uit is, gaan ze naar een sterkere leesprikkel verlangen.

Zo komen jeugdige woestelingen aan bod. Onder de al eerder gedane ontdekkingen behoort zowaar een jongen, die misdienaar is geweest. De nu eenentwintigjarige Ewald Vanvugt, auteur van niet minder dan drie scabreuze romans, radiospreker voor de VARA. Zijn eersteling Een bijzonder vreemde dief (De Bezige Bij) kwam in het nieuws doordat een verontwaardigde Bossche hoofdinspecteur van politie zonder speciale bevoegdheden de plaatselijke boekhandels afging om de verkoop te ontraden. Een onbezonnen stap. Want door de rel, die eruit voortkwam, steeg de verkoop juist schrikbarend. De jongeheer Vanvugt, die het als nozem vaak met de Bossche politie aan de stok heeft gehad en de 'wantoestanden' in dit korps in zijn autobiografisch debuut eens flink aan de kaak stelt, zag zijn ster pijlsnel omhoogschieten. Tegenover verslaggevers verklaarde hij - in navolging van Hermans en Mulisch - dat hij de beste schrijver van Nederland was. Cremer, die iets later zijn intrede in de letterkundige wereld deed, is toen maar de beste schrijver ter wereld geworden.
Een bijzonder vreemde dief doet zich kennen als een wellustig in zijn vuil rondwentelende dagdief, al wordt dit er niet mee bedoeld. De titel slaat op het feit, 'dat door het bekijken en het later beschrijven van mensen, dingen, toestanden, verzinsels, de schrijver steelt'. Aardig gevonden, ware het niet dat de auteur Cees Nooteboom dit al eens eerder heeft geschreven. Maar verder is Vanvugt zeer orgineel. Hij last pubermopjes in ('Een neger kwam een meisje tegen. Na het groeten gingen ze naar bed,' enzovoort), vertoont een intense belangstelling voor korsten, pus, bloed, etter en zweet, en mikt bij voorkeur onder de gordel.
Niet pikant, maar doodgewoon vies. Vanvugt, die negentien was, toen hij dit verheffende proza schreef, zegt zich er al niets meer van te kunnen herinneren. Nu zitten wij ermee. De derde druk staat vermoedelijk al op stapel. Bijna honderdvijftig pagina's, vrijwel zonder leestekens, met onthutsende opeenstapelingen van werkwoorden en zelfstandige naamwoorden, veel tussen haakjes, een zelfverzonnen spelling, geheimzinnige cijfercodes, een onbeholpen dagboekenstijl. Een Literaire Reuzen Pocket, die rancunes, genot en veel niemendalletjes najaagt, en zo rauw mogelijk uit de doeken doet hoe een jongeling op deze leeftijd bezig is met zichzelf en met meisjes. Het tweede boek van Vanvugt (Rodeo of Zuster Bertram, De Bezige Bij) gaat over 'een liefde op het eerste gezicht', het derde (Darwin en Gezellen, moet nog verschijnen bij De Bezige Bij) over homoseksualiteit. Volgens de uitgever 'zeer indringend geschreven'.

Kortgeleden heeft dezelfde uitgever al weer een nieuw talent gelanceerd. Het begint te lijken op wedijver met de grammofoonplatenmaatschappijen. Ditmaal een dertigjarige Hagenaar. Een ambtenaar zelfs, zodat men zich afvraagt of hij er geen last mee heeft gekregen. Want Enno Develing beschrijft in zijn (alweer autobiografische) roman dingen, die voor referendarissen wel heel schokkend moeten zijn. Behalve voor de referendarissen van O.K. en W. die op staatskosten aanvullingshonoraria aan schrijvers, - dus ook aan Develing - verstrekken.
Alberto en ik (Literaire Reuzen Pocket, De Bezige Bij) is een boek, waar nauwelijks een touw aan vast is te knopen. Het enige dat duidelijk wordt, is dat de ikfiguur zich zo aangetrokken voelt tot de in Azië ontmoete ontheemde Alberto, dat hij zich met hem vereenzelvigt en in zijn avonturen met vrouwen (soms ook mannen) deelt. Het verhaal speelt zich af voor, tijdens en na de ontmoeting, waarbij het decor zich beurtelings van het ene naar het andere eind van de wereld verplaatst. Verder hetzelfde recept: genotzucht, bevredigingsdrang, zucht tot avontuur, liefde. Ironisch geschreven, zonder moraal. Tot letterkunde verheven na plaatsing van enkele fragmenten in... Gard Sivik.
De kranten hebben jaren achtereen volgestaan over processen rond Han Aalberses Bob en Daphne-cyclus. Er waren aanklachten wegens pornografie. De Haagse rechtbank heeft onlangs bepaald dat het boek Liesbeth en de wereld van Bob en Daphne noch naar inhoud noch naar de wijze van beschrijving pornografisch kan worden geacht. En de rechtbank motiveert: 'De laatste tijd heeft gedetailleerde en vrije behandeling van seksuele onderwerpen in toenemende mate ingang gevonden en is deze behandeling in brede kring aanvaard. Daarom kan niet spoedig worden gezegd, dat een werk aanstotelijk is voor de eerbaarheid.'
Deze stelling is ongetwijfeld juist. Na langdurige taboes, geheimzinnigdoenerij, gebrek aan of valse voorlichting door dito schaamte begint er in het preutse Nederland meer openheid op seksueel gebied te komen. We luisteren naar huwelijksforums en seksuologen, kunnen naar consultatiebureaus, en op de scholen en in vele gezinnen worden de kinderen voorgelicht. Dat er op dit punt ook in de literatuur een doorbraak komt is, gezien de vroegere en hier en daar nog wel bestaande wantoestanden, een gezonde reactie. Maar een clubje intellectueel doende ziektegevallen gooit zonder zedelijk en maatschappelijk besef alle remmen los en draaft steeds verder door. Ze schrijven boeken louter en alleen om elkaar op te peppen of hun lust- en onlustgevoelens af te reageren. De uitgevers drukken wel. Het is zo kunstzinnig, en het verdient lekker. Want de jeugd, die je zo gemakkelijk met nieuwe modes kunt bespelen, heeft tegenwoordig meer vrijheden en meer geld. Daar moet je het dus van hebben. Wie praat er over verantwoordelijkheid?
Gaat het in Nederland dezelfde kant op als in Zweden? Daar hebben nu honderd professoren een fel pleidooi gehouden tot het herroepen van de bandeloosheid, die er gemeengoed was geworden. Daar viert de ongebonden seksualiteit hoogtij... met rampzalige gevolgen.
Moet het, in naam van het modernisme, in ons land net zo gaan? Wij zouden aan de paar ouders in Nederland, die nog gezag hebben over hun kinderen, willen vragen: probeer te weten te komen welke boeken uw tieners lezen en houd het oog op hun moraal. Met dit advies roepen wij het hoongelach van de hele literaire kliek in Nederland over ons af, maar dat hebben we er graag voor over.