Een leven lang....
Zoeken
Bluf als levensbeginsel : Jan Cremer zaagt van dik hout planken
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron Leeuwarder courant
Publicatiedatum 05-12-1964
Recensent Anne Wadman
Recensietitel Bluf als levensbeginsel : Jan Cremer zaagt van dik hout planken

Het was aanvankelijk mijn bedoeling Ik Jan Cremer door Jan Cremer lekker onbesproken te laten, als protest tegen de onwelriekende commerciële saus waarmee dit boek van Bezigebijswege werd overspoten en opgediend. Grootgebracht bij de opvatting dat kunst iets te maken heeft met culturele verfijning, met geestesadel, met besef voor hele hoge normen en met gevoel voor betrekkelijkheden, stuitte het me tegen de zindelijke borst dat ik door poenversierende uitgevers behalve met een tamtamboek-met-rode-opdracht 'n onverbiddelijke bestseller ook nog werd opgescheept met een zowat levensgrote foto van de auteur (voor 'n tientje kunt u hem van me kopen), benevens een moeilijk definieerbaar reclamegeschrift dat mij breedvoerig trachtte in te lichten omtrent boordwijdte, zedelijke gedragsregels, voorkeur voor margarine, graad van winter- en zweetvoeten en alles wat zogenaamde fans doorgaans schijnen te willen en moeten weten over het particulier bestaan van hun zogenaamde idolen, dingen die mij helaas geen fluit kunnen schelen.
Wat me ten slotte genoopt heeft toch de pen in de inkt te dopen en enige dingen over Ik Jan Cremer op schrift te stellen, is moeilijk uit te maken. De natuur is altijd sterker dan de leer. Maar misschien was er ook angst voor onvolledigheid, om de boot te missen, verlangen om er óók bij te zijn. Wellicht kwam het alleen door aandrang van bevriende zijde: wat zegt het orakel over de profeet? Doet er ook niet toe. Ik ben bezweken. Schoon overwonnen, blijft enige protest tegen krachtpatserige methoden van deze uitgeverij onverkort bestaan.
Van het lezen zelf van Ik Jan Cremer heb ik geen spijt. Op gevaar af dat enkele honderden abonnees voor dit blad bedanken - dat is tegenwoordig de mode zo: bedanken als er één keer poep of pies in gedrukt wordt of als men luidkeels tegen poep en pies demonstreert - moet ik zeggen dat ik Ik Jan Cremer met zeer veel plezier gelezen en herlezen heb. Plezier, geboeidheid, geprikkeld-zijn, hoe moet ik het noemen? Geprikkeld ja, want waarom (vroeg J.B. Charles laatst) heb ik anders m'n zinnen gekregen dan om geprikkeld te worden? Men kan natuurlijke een zedelijke keel opzetten en schreeuwen? Moet dat nu zo? Ik moet zeggen, dat het van mij niet zó moet of hoeft, dat er zeer veel andere manieren zijn om literair zalig te worden (zelfs vele andere om rijk te worden) en dat dit mij stiel niet is. Maar ten slotte is de Jan Cremer-stiel er ook een en tot degenen die gniffelend profeteren dat er over tien jaar van de literaire roem des heren Cremers niets meer over zal zijn (misschien is het wel waar ook), zou ik willen zeggen: En wat dan nog? Dacht u heus, dat meer dan 0,5 percent van de thans 'werkzame' schrijvers de gerechtvaardigde overtuiging hadden dat ze over 50 jaar méér zijn dan een historisch curiosum?
Laten we wel zijn: iedere schrijver (kunstenaar) bouwt aan zijn eigen mythe en graaft tegelijk zijn eigen graf. Is eeuwigheidswaarde van Dante, Shakespeare en Potgieter begeringswaardig voor een schrijver uit 1964? Laten we er rond voor uitkomen: de geestescultuur van 'enk'le fijne luyden', de verfijnde normen, de eruditie, het gevoel voor betrekkelijkheden waarvan ik boven sprak, al die dingen zijn zo sacrosanct niet meer als we vaak menen en als ze misschien vroeger waren.
Speciaal in literatuur en beeldende kunst is in plaats van de oude erudiet met de 'goede smaak' een nieuw artiestentype naar voren getreden, dat aan al die dingen lak heeft, dat zichzelf graag Barbaar noemt of Beest of met ander namen uit het Dierenrijk, en dat wellicht in de Scheppingsorde óók enig recht van bestaan heeft. De zijden-zakdoekjesgeur gaat er een beetje af. De kunstenaar is niet meer het met zorg opgekweekte raspaardje, dat door milieu, rijke ouwelui, universiteit en vhmo in staat wordt gesteld om... enz. Hij is in zijn groeijaren niet meer het fatsoenlijke, bedeesdelijk aandacht vragende kunstjochie, dat graag, in alle deemoed en nauwlettend op ongepastheden gefouilleerd, in de Toverkring van de Grote Broers der Letteren wil worden opgenomen. De Letteren bestaan niet meer, de bescheidenheid evenmin. De brutaliteit heerst ongeremd. Men kan er alleen eigen bescheidenheid en deemoed tegenover stellen, sukkelig genoeg, maar ontkomt niet aan de erkenning: ook dit is een wijze waarop men zich als mens en als schrijver kan realiseren. Eigenlijk is daar weinig méér tegen in te brengen dan dat het niet iedereen gegeven is en dat niet iedereen het kàn.
Is bescheidenheid een deugd? Het zijn meestal de bescheidenen-zelf die hun deugd als deugd presenteren. Is dat hun vorm van brutaliteit? Ik weet het niet. Ik weet alleen dat de levenshouding van Jan Cremer ergerniswekkend als zij is alom in den lande, ook haar voor velen benijdenswaardige kanten heeft. Ik kom daar niet klaar mee. En dat is dan wellicht mijn bescheidenheid, mijn deugd.
Maar goed, 't boek. Er staan ronduit meeslepende stukken in, waarbij de vraag of het wel 'goed' of au fond maar slecht geschreven is - met schooljongensopsteltaalfouten en al - weinig ter zake doet. Ik denk dan speciaal aan het begin, aan de jeugdepisodes, aan de suggestieve beschrijving van geboortemilieu, verblijf in jeugdtehuizen en gevangenissen (doordrenkt met oprechte rancune), aan de zeefragmenten, zelfs - o schande, aan de 8 bladzijden tellende, maar zeer vermakelijke 'ontlastingsfilosofie'. Er staan minder geslaagde stukken in het rommelig geheel. Zodra er vrouwen 'versierd' moeten worden ('versieren', van poen, wijven of drank, is het slagwoord van deze 364 pagina's proza) is er eigenlijk, afgezien van enige zinnenprikkeling en enige mogelijkheid om je huiselijk vocabulaire uit te breiden, niet veel meer aan. Jan Cremer heeft een afschuwelijk eenzijdige, variatieloze kijk op het genus vrouw. Alle intelligentie van zijn i.q. 133 is plotsklaps weg als het over wijven gaat, en men kan het glimlachen niet laten, als men ergens leest dat hij tevergeefs moeite doet met één van zijn 1001 vrouwen een zinnig gesprek over Harry Mulisch aan te knopen - gesprekken op enig intellectueel peil moet men tóch in dit boek met een lantaarn zoeken.
Van de vrouw heeft hij een soort puberbeeld: dat van 15-jarige jongetjes, en daar is hij ook in de passages waar hij kennelijk al veel ouder is, niet van losgekomen. De vrouw is alleen seksueel tippeldier, nooit metgezel of medemens. Het Dier zèlf (hij schrijft het met een hoofdletter) staat bij hem hoger te boek. In deze opgeblazen episodes (over de 'vieze' woorden spreek ik dan nog niet) kan ik met de beste wil niet geloven. De infantileit druipt er soms af. Primitiviteit, als u liever wil. En hiermee raken we meteen het kernpunt: de vraag naar de authenticiteit van dit boek. Authenticiteit is immers de roep van de tijd - en ik moet zeggen dat, bij de enkele bezwaren die ik koesterde tegen Van het Reves Op weg naar het einde, diens authenticiteit mij overal wel overtuigt. Met Ik Jan Cremer is dat lang niet altijd het geval. Hij maakt het er ook naar. Waarom noemt hij zo goed als geen namen, ook niet waar hij lekkertjes en ongestraft zou kunnen compromitteren? 'Als ik zou zeggen wie, dan werd dit boek in beslag genomen en ging ik weer voor lange tijd de bajes in,' zegt hij op blz. 222. Hoe heb ik het nu: zou er voor Jan Cremer iets fijners zijn dan om de waarheid de bajes in te gaan, en voor zijn boek iets commerciëlers dan verboden te worden? Of is hij bang voor zijn eigen leugens?
Er zijn aan dit boek vele steekjes los. De oorlogschronologie aan het begin van het boek (waarbij hij ook geen plaatsnamen noemt, waarom niet?) klopt niet. Vele feiten kloppen niet. Op blz. 45 kent hij 'al 'n beetje Frans'. Op blz. 46 'geen woord Frans'. In het pikkedonker ziet hij hoe mensen tegen hem knipogen, van een meisje dat in de verte steeds meer tot een stip wordt, ziet hij niettemin duidelijk dat ze de beide handen in de nek heeft. De berichten welke dienaangaande de ronde doen, hebben al voldoende de nadruk erop gelegd dat de sterke stukken die de Ik Jan Cremer en zijn Super-Ego bedrijven, voor een groot (maar niet nader bepaald en moeilijk nader te bepalen) deel aan Jan Cremers fantasie zijn ontsproten.
Het is ook eigenlijk te véél voor één jeugdig leven. Zegt trouwens ook niet een verklaring vooraf nadrukkelijk: 'Situaties en personen in mijn boek beschreven, komen uitsluitend voort uit mijn verbeelding'? Dat 'uitsluitend' zal ietwat overdreven zijn, maar waarom zou men de schrijver althans op dit punt niet op zijn woord geloven? Laten we dus gerust aannemen dat een flink deel van deze heldendaden, van dit wijven en poen versieren aan de lopende band, van dit slaan en steken en schieten en moorden, aan een levendige fantasie ontsproten is. Is dat niet het recht van de schrijver om zijn fantasie als werkelijkheid te poneren? Of om desgewenst te liegen alsof het gedrukt stond?
Ik Jan Cremer is geen autobiografie, het is een roman die er geen tracht te zijn. Ik geloof dan ook dat een groot deel van de schrik en ontsteltenis bij het Nederlandse publiek, maar óók een groot deel van de onverholen bewondering voor dit boek toe te schrijven is aan het feit dat men al deze van dik hout gezaagde planken voor zoete koek opneemt, d.w.z. voor historische waarheid aanziet. Daar is geen reden voor en men zou geloof ik de persoon van Jan Cremer schromelijk onrecht doen, als men hem zonder meer vereenzelvigde met zijn Alter en zijn Super Ego in literaire zin. De openbare mishandeling van zijn historische waarheid wil ik hem als schrijver ook niet kwalijk nemen. Wat ik hem wèl kwalijk neem, is dat hij zo weinig zorg voor de uiterlijke schijn van authenticiteit aan de dag legt, en dat hij daarmee de waarheidsillusie van zijn boek, waarin ik toch geloven wil, menigmaal geweld heeft aangedaan.
Ik wil daarvan één voorbeeld noemen. Op blz. 63 duikt de naam op van ene Annebel, een dochter van rijken huize, met wie J.C. (laten we hem verder met deze omineuze initialen aanduiden) 'serieuze verkering' heeft. Op blz. 70 vernemen we dat Annebel in verwachting is, dat ze dus binnen afzienbare tijd, laat ons zeggen 8 maanden, een kind ter wereld zal brengen. J.C. zelf verdwijnt dan en komt in een 'Observatiehuis' terecht. De 'eerste maanden' is hij daar ter observatie. Als het zomer wordt (blz. 71), vraagt hij toegang tot de 'open afdeling' van het tehuis. Op blz. 73 wordt het 'lente' en vraagt hij overplaatsing naar de boerderij. Aldus toegestaan. Het wordt zomer, hooitijd (85), nog steeds op de boerderij. Hij vlucht echter (87-90) wordt weer opgepakt (90-91), terug in het O.H., mag 4 weekends niet wandelen, komt om weinig duidelijke redenen terecht in de 'Bijzondere Strafgevangenis', waaruit hij 'drie maanden later' (92) weer vrijkomt. Op blz. 94 is het 'hartje zomer' en komt J.C. terecht in het Jeugdhuis te S., hij werkt daar als bakkersknecht. Het huis wordt verbouwd (95), er komt een groep van 300 Indische spijtoptanten, J.C. krijgt ruzie met een waarnemend directeur (vermoordt die en passant, 100-102, laten we aannemen per wensdroom), ontvlucht het huis (102), komt weer in een gezin terecht (108), waar hij schildert en zijn eerste echte schilderij verkoopt (109). Hij ziet dan kans, met behulp van zijn voogden, op een coaster te komen als matroos; vaart 'geregeld' op Edinburgh, maar doet ook aan: Skandinavië, Rusland (meer dan eens, o.a. 14 dagen in Moskou, verder Archangel, Moermansk, Leningrad, Wladiwostok), Oost- en West-Afrika, Noordelijke IJszee, Ceylon, Polen, Portugal, Algiers, Tunis; vaart (in een episode tussen haakjes) op een 'grote lijn, naar Australië en Amerika'; zit ook nog 3 maanden (125) op een nauwelijks zeewaardig Panamees, drost en komt bij Annabel thuis (125). Op blz. 130 blijkt, dat na al die jarenvullende activiteiten de a.s. vader nog steeds in verwachting is.
Onze J.C. gaat dan nog werken op kermissen in een boks- en worsteltent, wat volgens blz. 135 twee maanden duurt. En wij maar in spanning zitten of dat kind nog óóit geboren zal worden. We verliezen na 136 de lieve Annebel 'n beetje uit het oog. J.C. leeft met diverse andere vrouwen, waarvan ook één een kind van hem verwacht, komt echter soms ook nog weer bij Annebel. En dan volgt plotseling op blz. 156 de frappante mededeling, dat Annebel 'onderdehand al een dikke buik begon te krijgen', wat, als ik goed ben ingelicht, dikwijls al in de derde of vierde zwangerschapsmaand het geval is. Rekent u zelf m'n som na! Op blz. 364 is het kind nog steeds niet geboren, maar dat zal wel een kwestie van nalatigheid zijn. Nu kan men vragen: wat doet het er toe dat J.C. in zijn eigen fantasiespinsels de weg kwijt raakt en daarmee alle rooi over tijdsorde? Misschien is het ook niet zo erg, maar ik stel er nu eenmaal prijs op, door schrijvers mijn zelfrespect en mijn gevoel voor chronologische en andere proporties gerespecteerd te zien, opdat ik in hen, ook in hun voorgewende authenticiteit geloven kan.
Het laatste gedeelte van dit boek zakt aanmerkelijk in kwaliteit. De problemen waarom het zich beweegt, liggen dan voornamelijk op het vlak van hoe men 'poen' en 'wijven' kan 'versieren', en dat gaat op den duur ontzettend vervelen. Het is dan ook op zeer geforceerde wijze dat Cremer probeert aan het eind een veelbelovende climax te bereiken. Een climax die ons meteen voor de vraag kan stellen: Wat heb je nu nog méér te bieden, Jan, in dat aangekondigde vervolg 'Jan Cremer in Spanje'? Het zal wel weer van dik, Spaans vrouwenhout zijn en wellicht een tiental moorden op Guardia's Civil of op Franco zelf.
Maar er moet nu eenmaal toch een plafond zijn bereikt, een verzadigingspunt aan sterke stukken, zo niet bij het lezend publiek dan toch wel bij het zelfrespect van een schrijver als schrijver. Hij kan zich niet steeds met diezelfde foefjes blijven aandienen. Zelfs het leven van een geboren avonturier, een 'moderne piraat, desperado en playboy' heeft nu eenmaal zijn natuurlijke grenzen, waarbuiten niets meer te bedenken en te 'versieren' valt.
Ik sprak nog niet over de 'vieze' woorden. Ik wil daaraan ook niet te veel aandacht verspillen. Deze woorden staan trouwens voor een groot deel al sinds jaar en dag in de vaderlandse woordenboeken. Men zou zelfs kunnen zeggen dat ze door boeken van J.C. en anderen uit hun woordenboek- en schuttingsisolement worden verlost en nu eindelijk een vrij en onbekommerd leven kunnen gaan leiden. Is dat niet een teken van Vooruitgang, deze emancipatie van het vieze woord? Vroeger maakten men een probleem van het woord 'zweten' en liet men de lui werken in de transpiratie huns aanschijns. Nu zweet ieder weer doodgewoon. Zo zal het met J.C.'s vocabulaire ook wel gaan.
Slotvraag (ingeleverd door een verontruste vader van opgroeiende kinderen): Zal een boek als dit, door jeugdige en onervarenen gelezen, hun niet het idee geven dat het eigenlijk niet zo'n grote toer moet zijn om in een kortdurend mensenleven veel 'poen' en veel 'wijven' te 'versieren'? Vraag mijnerzijds: hebt U dan zo weinig vertrouwen in de mens en de schepping en kerk en de maatschappij? (de vader was kerkeraadslid). Overigens: misschien zijn er onder die jeugdige aspirant-delinquenten wel die eens lekkertjes Jan Cremertje willen spelen, omdat ze de wensdroom van ene J.C. niet van de werkelijkheid en haar mogelijkheden kunnen onderscheiden. Ze zullen dan gauw uit de droom geholpen worden. Want heus, het is niet aan velen gegeven ongestraft een Jan Cremer te zijn.
En leidt u daaruit asjeblieft niet af dat ik J.C. als wat men noemt een 'groot schrijver' beschouw. Hij doet in wezen weinig meer dan in de voetsporen van Kerouac en Henry Miller verderrauzen. Hij werkt voort aan een soort mythologie, aan de image van de Mens als een biologisch bepaald stuntmaker-krachtpatser. Hij speculeert op ons aller behoefte aan zulk een image. Laten we elkaar niets wijsmaken: de mensen die J.C.'s image het hardst verketteren, zouden er het eerst en als de kippen bij zijn als hun de gelegenheid werd geboden straffeloos een Jan Cremer te zijn. Laten we eerlijk vaststellen dat in Onze Tijd - onze prachtige rottijd! - de image van iemands persoonlijkheid minstens zo belangrijk is als die persoonlijkheid zelf. Misschien denken we daar over 50 jaar anders over. Maar dat zien we dan wel. Voorlopig zie ik Jan Cremer als een man die op vaak meeslepende wijze zijn wensdromen, zijn image, in het pakje van authenticiteiten probeert te wringen. Maar wensdromen zijn weerbarstig!