Een leven lang....
Zoeken
Hoe Jan Cremer de wereld veroverde en Nederland daarbij zijn onschuld verloor
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron HP/Haagse Post
Publicatiedatum 24-12-1964
Recensent William Rothuizen
Recensietitel Hoe Jan Cremer de wereld veroverde en Nederland daarbij zijn onschuld verloor

Twintig jaar geleden is het nu, en Nederland was nog gedompeld in wederopbouw, godsvrucht en orangisme. Maar plotseling trilde het land op zijn rechtzinnige grondvesten, en het zou nooit meer worden wat het was geweest. Moi, Yo, Io, Ich, I, Ego, Ik Jan Cremer: William Rothuizen reconstrueert samen met de Atilla de Hun van de literatuur de sensatie van een must.
Bezige Bij-redacteur Oscar Timmers bracht de kerstdagen van 1963 door met het corrigeren van een dikke stapel drukproeven. 'Dat was zeer aangenaam,' herinnert hij zich. Dat het boek bij verschijning een orkaan van reacties zou veroorzaken en dat het de grootste Nederlandse bestseller aller tijden zou worden, vermoedde hij allerminst. Het onalledaagse manuscript was dank zij een tip bij De Bezige Bij beland. Timmers had het verzoek gekregen het persklaar te maken en al lezend werd hij snel enthousiast: 'Het maakte een overweldigende indruk op me.'
De toen 23-jarige schrijver van het boek genoot al bekendheid als wild beest, kunstnozem en barbaristisch schilder. In 1960 had Jan Cremer de voorpagina's gehaald toen hij op de Haagse Salon zijn zes bij twee meter grote vijfluik Japanese War voor één miljoen gulden te koop had aangeboden. Kerstmis 1963 wist hij dat hij op het punt stond beroemd te worden. Nauwgezet volgde hij Timmers' correcties, een enkele keer greep hij zelf nog even in. In zijn leren jack, met zijn hoge kuif en met een lijp in de mondhoek bungelend sigaretje, wachtte hij in een Amsterdams gribushuisje op zijn snel naderende D-day.
Per zilverkleurig gespoten Harley Davidson met zijspan was Jan Cremer in 1960 op het Spaanse eiland Ibiza beland. Platzak. In de oude stad trof hij een galerie aan waar moderne kunst werd geëxposeerd. Werk van Tapies en anderen. Er lag een kunsttijdschrift met een artikel over Jan Cremer. 'Kijk,' zei Jan Cremer, 'dat ben ik.' De Engels-Duitse eigenaar van de galerie keek verrast op. Hij gaf Jan Cremer een contract: in ruil voor schilderijen mocht hij op rekening van de galerie eten ,drinken en materiaal kopen. Jan Cremer betrok zo'n wit Ibicenci huisje in de Pena, de voormalige strafkolonie van het eiland, hoog onder de muren van de burcht waar je via een wirwar van smalle trappen naartoe klimt. Hij ging er schilderen en huurde een schrijfmachine om te doen wat hij al lang van plan was: een boek schrijven. De titel had hij al: Ik Jan Cremer.
'Ik heb van jongsaf aan al geschreven,' zegt hij, 'voor de Kleine Zondagsvriend. Dat was een Belgisch blad met in het midden een paar pagina's voor de jeugd, het dubbele vel mocht door jongeren gevuld worden, met strips, tekeningen en verhaaltjes. Als jongetje heb ik dat twee jaar lang gedaan. Iedere vier weken was ik een keer aan de beurt. De Tukkerbode heette mijn krant. Als honorarium kreeg je honderd overdrukken, daar vouwde ik krantjes van en die verkocht ik voor een stuiver aan mijn vriendjes in Enschede, begrijp je wel? "Op Ibiza ben ik hard gaan werken. Ik ben een gedisciplineerd iemand. 's Morgens om zes uur op, tijdje schrijven tot het warmer begon te worden, dan een paar uur schilderen en dan natuurlijk siesta tot een uur of vier. Dan weer een tijdje schilderen, in de vooravond nog een poosje schrijven en 's avonds naar restaurant of terrassen. Ik schreef toen per dag vier of vijf bladzijden van mijn boek. Met twee vingers. Ik hou van ouwe machines, hè, die moeten rammelen. Ouwe zware machines waar je op kan beuken.
"Maar ik schrijf eerst met potlood. Doe ik nog steeds. Met potlood werk ik de notities uit die in mijn kleine opschrijfboekjes staan. Kijk, zulke kleine opschrijfboekjes. Doe ik al vanaf 1957. Notities over wat ik zie en meemaak. Ik heb al meer dan honderd van die boekjes gevuld. Daar staat van alles in en uit één enkele zin uit zo'n boekje, kan een heel hoofdstuk te voorschijn komen. Met potlood werk ik dat allemaal uit, daarna met de pen en pas dan gaat het op de machine. In één keer definitief. Daar komen geen nieuwe versies meer van.
"Schrijven doe ik in een sfeer, een roes. Net als schilderen. Daar gaat een ritueel aan vooraf: eerst worden de potloden uitvoerig geslepen, alles moet schoon zijn en de geur van potloodslijpsel moet in de kamer hangen. Schrijfmachinelinten moeten vers zijn, lekker zwart. Ik heb nu natuurlijk veel meer ervaring dan toen, maar schrijven blijft eenzaamheid, duizend doden sterven, begrijp je wel? Steeds een gevecht. Maar na schilderen is het het mooiste vak dat ik ken. Zoals je met een enkele penseelstreek een hele sfeer kan oproepen, zo kan je met een enkele zin op papier iemand meenemen en de binnenlanden van Brazilië binnentrekken."
Ibiza werd begin jaren zestig een kunstenaarskolonie. Vooral 's zomers doken er artistieke types uit heel Europa op. Zo ook de Rotterdammers Hans Sleutelaar en Cornelis Bastiaan Vaandrager. Ze huurden een huisje en spijkerden een bord op de deur: 'Writers at work!' Jan Cremer kende de beide dichters al, ze publiceerden in het avantgardistische letterkundige tijdschrift Gard Sivik. In 1959 had hij ze ontmoet toen hij schilderijen exposeerde in het Rotterdamse kunstcentrum 't Venster. Het werd een onverwacht en opgewekt weerzien.
De volgende zomer kwamen ze terug. Jan Cremer had veel geschilderd en hij vertelde de Rotterdamse vrienden dat hij een boek aan het schrijven was. Ze wilden het lezen. Goed, zei Jan Cremer, want hij had behoefte aan een reactie. Sleutelaar een Vaandrager waren enthousiast en wilden voorpublicaties afdrukken in Gard Sivik. Ze waren redacteuren van dat blad. In nummer 26 van het tijdschrift (mei-juni 1962) verscheen onder de titel Operatie kogelwond een passage die later, als fragment nummer 132, in Ik Jan Cremer kon worden teruggevonden. Achterin het nummer van Gard Sivik stonden de personalia van de medewerkers afgedrukt. Wat Jan Cremer betreft: "1939, (wat niet klop. Jan Cremer is geboren op 20 april 1940, red.) zonder vaste verblijfplaats. Was op zijn reizen door Arabië, Noord-Afrika, Skandinavië, Rusland, Zuid-Europa en Nederland o.a. zeeman, dokwerker, beroepsmarinier, nachtclubportier, kermisbokser, speedwayrenner. Hij kwam via radio, televisie en pers regelmatig in het nieuws met zijn 'peinture barbarisme', op ruim vijftig exposities in Europa, Amerika en Japan tentoongesteld. Maakt in dit nummer zijn literair debuut." In latere nummers van Gard Sivik volgden nog enkele voorpublikaties. Geldgebrek dwong Jan Cremer najaar 1962 terug naar Nederland. Zijn boek was voor viervijfde af en hij zocht een uitgever. Omdat Gard Sivik door Nijgh & Van Ditmar werd uitgegeven, vond Jan Cremer het logisch zijn manuscript naar deze Haagse uitgeverij te brengen. "Daar kreeg ik te maken met Pierre H. Dubois. Om het boek af te kunnen maken vroeg ik een voorschot van duizend gulden en een schrijfmachine te leen. Logisch, ik had geen poen. Maar die Dubois zei dat hij daar niet over kon beslissen. Daarna heb ik er niks meer van gehoord." In zijn doctoraalscriptie Jan Cremer Een terreinverkenning (Leiden, 1977) vermeldt Peter van Schie dat mevrouw Warenbeek, toen directiesecretaresse bij Nijgh & Van Ditmar, zich vaag kon herinneren dat het manuscript er in de kluis heeft gelegen. Er zou afwijzend over zijn beslist omdat men Cremer niet in het fonds vond passen en omdat men twijfelde aan het auteurschap. Cremer zou zich van een ghost writer hebben bediend. Dat laatste argument is een hardnekkig leven gaan leiden, vooral nadat Pierre H. Dubois het praatje, rond het verschijnen van Ik Jan Cremer bij de Bezige Bij, via de pers de wereld in had gestuurd.
Hoe was Jan Cremer bij de Bezige Bij terechtgekomen? Dat heeft de veelbesproken auteur ook pas later gehoord. Niemand minder dan de schrijver W.F Hermans zou Bezige Bij-directeur Geert Lubberhuizen op de publikaties in Gard Sivik attent hebben gemaakt.
"Ik geloof inderdaad dat het zo gegaan is, maar precies weten doe ik het niet meer," zegt Lubberhuizen. "Het klopt," zegt W.F. Hermans per telefoon vanuit Parijs, "ik had die teksten gelezen en vond ze goed, tegen Lubberhuizen heb ik toen gezegd: dat moest je uitgeven." Jan Cremer kreeg een briefje van Lubberhuizen. Of hij over dat boek wilde komen praten. "Dat liep prima," zegt Jan Cremer, "ik kreeg vijfhonderd gulden voorschot en een schrijfmachine te leen. Als ik het boek inleverde zou ik nog eens vijfhonderd gulden krijgen. In een half uurtje was alles geregeld." Lubberhuizen: "Voor die tijd waren dat flinke bedragen, hoor, vergis je niet." Terug in Nederland had Jan Cremer nog geen eigen onderdak. Hij genoot gastvrijheid bij Simon Vinkenoog, die toen op de Amsterdamse Bloemgracht woonde. Op een avond hebben ze alle hoofdstukken van het boek op het vloerkleed uitgespreid en geprobeerd wat ordening in het manuscript te brengen. Daarna schoven ze alles weer in elkaar. Dat die ordening niet zo perfect was als Jan Cremer wel had gewild, werd veroorzaakt door een tekort aan paperclips. Korte tijd later vond hij een huisje in de Jodenhouttuinen. Hij had dan wel vijfhonderd gulden en een schrijfmachine te leen, maar het huisje was klein en tochtig. Niet geschikt om in te werken. Hij wist dat hij op het punt stond miljonair te worden en spoedig in staat zou zijn de duurste hotelsuite te betrekken, maar voorlopig was het nog even behelpen. Dus ging hij naar het bevriende fotografenechtpaar Maja en Ronald Sweering aan de Nicolaas Witsenkade. Ze hadden een groot huis, veel jonge kinderen en ze gingen vroeg naar bed.
Iedere avond tegen elf uur installeerde Jan Cremer zich er achter de schrijfmachine. Hij tikte door tot de kinderen `s ochtends om een uur of zeven wakker werden en dan ging hij naar huis om te slapen. Twee maanden later, in december 1962, was het boek af. De opdracht luidde: 'voor Jan Cremer & Jayne Mansfield'.
Waarom heeft het manuscript een jaar lang bij de Bezige Bij gelegen voordat het naar de drukker ging? "Dat weet ik niet precies meer," zegt Lubberhuizen, "maar je moet niet vergeten dat hij het boek in porties heeft ingeleverd. Telkens kwam er weer wat." "Klopt niet," zegt Jan Cremer, "in december 1962 was het af en toen heb ik alles ingeleverd. Wat wel voor vertraging zorgde, was dat ik ruzie kreeg met hun vaste ontwerper, Karel Beunis. Ik ben ook schilder, begrijp je wel, dus ik maak liever mijn eigen cover. Beunis sprak er schande van dat mijn foto voorop moest. Ik ging dwars liggen en zei: nou, dan komt mijn boek niet uit. Als Cremer zijn zin krijgt, dan neem ik ontslag, riep Beunis dan weer. Maar ik ben een perfectionist, hè, ik heb een vaste wil en je kan nog altijd zien dat het een goeie cover is geworden. Die doet het na twintig jaar nog steeds goed. Dat ik 'een onverbiddelijke bestseller' op dat omslag liet drukken, werd met hoongelach ontvangen. Maar de echte reden voor al die vertragingen was volgens mij, dat er binnen de Bezige Bij mensen tegen de uitgave van mijn boek waren. Nagel bijvoorbeeld en ook die vliegende penis Viruly. Die heeft de coöperatie toen meteen verlaten." "Hij kreeg inderdaad ruzie met Beunis," bevestigt Lubberhuizen, "maar dat het boek op tegenstand van bestuursleden zou zijn gestuit, dat kan eenvoudig niet, want het bestuur beoordeelde de boeken altijd pas nadat ze verschenen waren. Dat Viruly toen is opgestapt, dat kan best, ja. Er is in het bestuur over gediscussieerd en in het verslag van die vergadering valt te lezen dat Nagel en Han Hoekstra niet erg geestdriftig deden over dat neuken en schijten, maar Mulisch en Schierbeek verdedigden de schelmenroman. Als er vooraf tegenstand was geweest, had dat in de redactie moeten blijken, maar daar waren geen tegenstanders. Sommigen, zoals Remco Campert, hebben het manuscript helemaal gelezen." Wat was Lubberhuizens eigen reactie toen hij het manuscript had gelezen? Had hij enig voorgevoel van de deining die het boek zou veroorzaken? "Ik vond het een verdomd leuk boek dat de lezer goed vasthoudt. Een stijl van vertellen waar ik zelf erg van hou. Maar het gevoel een bom in huis te hebben, nee, dat hadden we helemaal niet. Het was natuurlijk wel een heel ander soort manuscript dan we bij De Bij gewend waren en we vonden het zakelijk een experiment om zoiets uit te geven. Dat blijkt wel uit het feit dat we er, heel voorzichtig, maar vijfduizend van drukten. We dachten als we die verkopen, dan is het al lang mooi. De prijs, f 6,50 was eigenlijk te laag. Maar we durfden niet hoger te gaan. Pas toen we zo vlug al een tweede druk konden maken, hebben we er f 7,50 van gemaakt. Ik ben er nog steeds trots op dat we dat boek hebben uitgegeven. Ik heb er altijd achter gestaan. Ook toen we van alle kanten werden aangevallen." Lubberhuizen zegt met nadruk dat Jan Cremer het boek alleen heeft geschreven, ook al is vaak gesuggereerd dat anderen eraan hebben meegewerkt. "Maar zelf heeft Geert Lubberhuizen er wel een paar fragmenten uitgelicht," zegt Jan Cremer, die waren oneerbiedig voor het koningshuis en voor het verzet. Onschuldige passages hoor, maar Geert vond het misschien veiliger om ze eruit te halen. Ik heb die passages later afgedrukt in het eerste nummer van de Jan Cremer Krant in 1967." De Bezige Bij besteedde het persklaar maken van Ik Jan Cremer zomer 1963 uit aan de Rotterdamse schrijver Cornelis Bastiaan Vaandrager. Na een tijdje ging Jan Cremer eens kijken: "Het bleek al vlug dat hij er niks aan had gedaan. Weet je wat-ie aan het doen was? Hij was bezig er lijstjes van bargoense woorden uit samen te stellen, woorden die hij nog niet kende. Toen heb ik het manuscript snel meegenomen. Ik weet het nog goed, het was een hele warme dag." Het persklaar maken werd opnieuw uitbesteed. Nu aan Oscar Timmers die toen nog free lance werkte en enkele maanden later in dienst van de Bezige Bij zou komen. "In augustus ben ik eraan begonnen. Jan Cremer bemoeide er zich constant mee, maar dat was niet vervelend. Er is niets herschreven, ook aan de structuur is niets veranderd. Het ging alleen om taalfoutjes, alinea's en zetaanwijzingen. Al lezend raakte ik geweldig enthousiast."
Begin 1964 - Nederland trilde nog na van de godslasterlijke Zo is het-uitzending aangaande Beeldreligie - rolden de vijfduizend exemplaren van Ik Jan Cremer van de persen. Men verhief zich massaal om Schande! Schande! te roepen over zoveel krachtpatserij, openhartigheid en erotisch geweld. Men riep om maatregelen. Slechts weinigen beseften dat toen de jaren zestig waren aangebroken. Jan Cremer zelf bekeek de drukte met innige tevredenheid en deed er als het even kon een schepje bovenop. Met een stapeltje Ik Jan Cremers ging hij op 2 maart naar het boekenbal om de aanwezige ministers Bot, Toxopeus, Biesheuvel en Scholten een exemplaar te overhandigen met de woorden: "Alstublieft eerwaarde." Het boek werd een must. Jan Cremer was het gesprek van de dag. De Bezige Bij begon vrijwel meteen aan een tweede druk - nu tienduizend exemplaren - en zag zich datzelfde jaar verplicht nog veertien keer bij te drukken. Geïnterviewd over het schrijven deed de montere succesauteur uitspraken als: "Een schrijver is een knappe verschijning in spijkerpak of maatkostuum die graag een biertje drinkt, situaties signaleert, noteert en 's avonds bijhoudt op een Olympia de Luxe met muziek van de Beatles." En: "Hij zet het meest essentiële van de spreektaal om in schrijftaal, zorgt dat het lezerspubliek zijn taboes kwijtraakt en is als communicatiemiddel even onmisbaar als de tv. Een schrijver is de kostwinner van Jan Publiek." Hij beantwoordde zijn interviewers brutaler naarmate de oplage van zijn boek verder omhoog schoot: "Ik ben een stuntman. Het succes schrijf ik toe aan mijn geniale persoonlijkheid." En: "Macht? Macht is poen. Als hoofd van Jan Cremer Incorporated ga ik nu verder werken aan mijn internationale greep naar de Populariteit." De Haagse Post informeerde naar het oordeel van andere schrijvers. J. B. Charles (als W. H. Nagel voorzitter van het Bezige Bij-bestuur): "Een walgelijk fascistisch boek." Hugo Claus:"Ik heb het met veel plezier achter elkaar uitgelezen. Het is een vrolijke schelmenroman, een van de leukste boeken die ik de laatste tijd las." W. F. Hermans: "Jan Cremer is de Douanier Rousseau van de schelmenroman. Zijn boek is een bandeloze ontploffing tussen autobiografie en mythomanie. Ik heb het in één ruk uitgelezen." Was dat wel literatuur? vroegen tegenstanders zich af. Het boek was in slang geschreven, Mickey Spillane deed het beter. En wat moest de lezer met al die vrouwen die altijd mooi en goed gevuld zijn en onmiddellijk op hun rug gaan liggen als het fenomeen Jan Cremer in de buurt komt? Wat moest de lezer met al die knok- en schietpartijen? Dat het boek ondanks alle afkeuring zo gretig en massaal werd gekocht, is waarschijnlijk het best verklaard door boer Koekoek die eind 1964 in Vrij Nederland tegen Bibeb zei: "Dat moet een heel vies boek wezen. Hij heeft gezinspeeld op de viezigheid van het volk. Het moet een geweldig smerig boek wezen. Ik lees nooit een boek, maar toen heb ik gedacht, ik zou het wel eens willen lezen om te zien wat het smerige is. Ik had liever gehad dat de overheid het had verboden, maar nu de overheid het vrij laat, wil iedereen het lezen." Een rake typering van de voor de jaren vijftig nog zo karakteristieke mengeling van hypocrisie en behoefte aan betutteling.
Een ander voorbeeld van die denktrant verscheen in Het Vaderland waar de eerste kritiek op Ik Jan Cremer in verscheen. En van wiens hand was die kritiek? Jazeker, van de lettré Pierre H. Dubois die begrepen moet hebben dat ze daar bij de Bezige Bij aan dat boek enkele miljoenen gingen verdienen en die misschien daarom zijn boze alinea nogal verrassend van richting liet veranderen: "Ik bedoel hier niet de seksuele grootspraak en de ruige terminologie die weinig verrassends kunnen hebben, maar vooral de onverholen, lijnrecht sadistische ontboezemingen die op een dusdanige fascistische geestesgesteldheid wijzen, dat men niet anders meer kan constateren dan dat de Bezige Bij, die met dit werk gemeend heeft haar fonds te moeten verrijken, van de ondergrondse in de onderwereld is beland." Dubois liet tegelijkertijd weten dat het boek nauwelijks door Jan Cremer was geschreven en dat men met 'een geval van re-writing' te maken had. "Er is ons vaker verweten dat we, op basis van de smeerlapperij die in het boek zou zitten, mooie sier wilden maken," zegt Lubberhuizen, "dat het ons alleen om het geld ging. Men had het over de 'smerige dij' en de 'bezige dij' en zo, dat soort grappen. Het boek is toen nauwelijks serieus besproken, maar er was wel veel van die merkwaardige kritiek. In mei 1964 hebben we dat smaadproces tegen Trouw aangespannen. In die krant had J. van Doorne een soort kritiek geschreven. 'De smerige Bij bezig`, stond erboven. Trouw verloor, maar we moesten gezamenlijk de kosten van het geding betalen."
Jan Cremer kocht een open sportwagen, een zilveren Mercedes 190 SL, waarmee hij regelmatig voor het pand van de Bezige Bij verscheen om te informeren hoe de zaken stonden. Nou, die stonden goed. In oktober had de oplage van Ik Jan Cremer de honderdduizend overschreden en de schrijver vond dat het dus, analoog aan de platenindustrie, tijd werd dat hem een gouden boek werd uitgereikt. "Het was niet gemakkelijk zo'n ding te maken," zegt Lubberhuizen, die met dat soort bijkomstigheden geen enkele ervaring had. Herfst 1964 kocht Jan Cremer een zwart pak en bijpassende stropdas. Hij ging naar de Frankfurter Buchmesse om Ik Jan Cremer aan alle buitenlanden te verkopen. "Je kan dat het beste zelf doen, anders blijft er te veel aan andermans strijkstok hangen, begrijp je wel? De Bezige Bij was natuurlijk al benaderd vanuit het buitenland. In Frankfurt heb ik zelf contracten afgesloten. Andere schrijvers spraken er schande van, die zeiden: hij loopt met zijn eigen boek te leuren. Maar intussen is mijn boek de hele wereld over gegaan, van Japan tot Venezuela en tot Noorwegen, Ik ben inderdaad wat ze wel eens gezegd hebben, de Attila de Hun van de literatuur. Met één titel de wereld veroveren!" Bij wijze van spreken dan, want in Frankrijk is Moi Jan Cremer nog steeds verboden. Uitgever Grasset liet het al in 1964 vertalen, drukte er tienduizend exemplaren van, maar mocht het niet verspreiden. In Italië stuitte Io Jan Cremer ook op een verbod. Feltrinelli wilde het uitgeven, maar ingrijpen van hogerhand spaarde de Italiaanse ziel voor al dat verderfelijks uit Holland. In het katholieke Spanje daarentegen is Yo Jan Cremer een groot succes. Het wordt er uitgegeven door Grijalbo, een van de grootste uitgevers in de Spaans sprekende landen, die ervoor zorgde dat het boek ook in landen als Mexico beroemd werd.
In Duitsland werd Ich Jan Cremer tot jugendgefährlich bestempeld, wat inhield dat het niet mocht worden uitgestald en dus onder de toonbank moest worden verkocht. De rechtbank in Hamburg nodigde in 1965 letterkundigen uit die over het boek moesten oordelen; de autoriteiten waren vooral geschrokken van het 'anarchistische karakter' van het boek. Heinrich Böll en de hoogleraar Snapper, die Nederland doceert aan de Berkeley universiteit van Californië, hielden een pleidooi voor de moderne schelmenroman die in Duitsland - deel I en deel II samen in een dikke pil een enorme bestseller werd. Nadat Jan Cremer in Amerika van uitgever was veranderd, verscheen de pocket-editie van I Jan Cremer die snel de markt veroverde. "Van die pocket hebben ze er meteen zes miljoen gedrukt," zegt Jan Cremer, "daar maken ze geen herdrukken, daar doen ze het meteen groot, anders heeft het geen zin. Mijn grote markten zijn Amerika, Engeland en Duitsland. Niet alleen vanwege de grote oplage, maar ook voor wat de receptie betreft. Daar wordt mijn boek serieus door de critici besproken en door literatuurprofessoren behandeld. De ontvangst van mijn boek was nergens zo kinnesinnerig als in Nederland." Ik Jan Cremer trekt nu ook het Oostblok binnen. Er is een Hongaarse editie in de maak, wat de schrijver, gezien de Hongaarse afkomst van zijn moeder ('we stammen af van de Hunnen') veel plezier doet. In Griekenland kwam Ego Jan Cremer op de zwarte lijst. "In Ierland ook," vertelt hij, "een jaar of tien geleden al. Ik woonde toen in Ierland en op reis langs de westkust kwam ik bij een eenzaam hotel op een afgelegen rotspunt. Omdat ik zo bekend en, geef ik meestal een andere naam op, John Cramer of zoiets, maar hier, in die uithoek met briesende storm en hoog opwaaiende golven, leek me dat niet nodig. Dus ik schreef me in als Jan Cremer. Het meisje aan de balie begon te blozen. De schrijver? vroeg ze. Ik zei dat dat klopte en toen haalde ze I Jan Cremer vanonder haar tafel, daar zat ze in te lezen. Ik dacht dat dat hier verboden was, zei ik. Ze knikte en vertelde dat de commissie die in Ierland de boeken keurt, toevallig ook in het hotel zat. Om op een rustige plek te kijken welke boeken er in de ban gedaan moesten worden. Er zat een bisschop in, een hoge politiefunctionaris, enkele letterkundigen en zo. Acht man totaal. Dat waren heel aardige mensen, die commissie. Daar ben ik een week lang mee doorgezakt."
De trein Hengelo-Borne moest in 1965 abrupt stoppen voor een jongeman die op een overweg verdiept was geraakt in Ik Jan Cremer. Zo waren er talloze voorvallen waaruit kan worden afgeleid dat de invloed van boek en schrijver op de Nederlandse samenleving niet mag worden onderschat. Een scheepskok bij de marine had, lezend in het boek, de vlam in de pan laten slaan en dominees schreven hun kerkbladen vol met filippica's tegen het best verkochte Nederlandse boek aller tijden. In politiesignalementen doken 'Jan Cremer-types' op en De Telegraaf schreef: "De Jan Cremerlook is een spijkerpak, grauw blauw van kleur, een onverschillige outfit." Het jonge voetbaltalent Johan Cruijff werd erop gewezen dat hij dezelfde initialen had als de bekende schrijver, waarop Cruijff zijn interviewer antwoordde dat hij het ook eens zo ver hoopte te schoppen. Leraren Nederlands die Ik Jan Cremer in de les wilden behandelen riskeerden ontslag en bibliotheken weigerden het boek aan te schaffen. "Die smerigheid komt er bij ons niet in," zei de directeur van de Openbare Bibliotheek in Amsterdam met de vastberadenheid van een kanonnier op de Grebbeberg. Jan Cremer Fanclubs schoten uit de grond en de toenemende verruwing op de voetbalvelden werd 'een vorm van Jancremerisme' genoemd.
De navolgers bleven niet uit. Er verschenen boeken met titels als Ik Tony Boltini en Ik, de vrouw. Jef Geeraerts werd op een flaptekst aangeprezen als 'De Vlaamse Jan Cremer'. "Hij had veel epigonen," zegt Lubberhuizen, "nadat het boek was verschenen, kwamen er stapels van dat soort manuscripten binnen bij de Bezige Bij, dat wil zeggen ook autobiografisch en vaak over soortgelijke onderwerpen, maar ze waren verschrikkelijk slecht geschreven. Dat heeft nog een paar jaar geduurd." Het fenomeen zelf had de moerasdelta inmiddels verlaten. Amerika, Amerika! Hij vestigde zich in het Newyorkse Chelsea Hotel, werd onmiddellijk lid van de creatieve jet set (gossip-columnist Walter Winchell kon melden dat Jan Cremer en Arthur Miller elkaar, na een eerdere woordenwisseling, weer vriendelijk groetten) en zag dat I Jan Cremer de zevende plaats op de Amerikaanse pocket-bestsellerlijst bereikte. Hij sloot vriendschap met kunstbroeders als Andy Warhol en Bob Dylan en maakte met zijn nieuwe verloofde, sexbom Jayne Mansfield, een tournee door Zuid-Amerika.
"What a hard guy! What a rebel, what a devil!" schreef de New Statesman in een bespreking van het boek. De kritieken waren lang niet altijd lovend. Men stoorde zich nogal eens aan 'een gebrek aan moraal ten opzichte van vrouwen' of aan 'gewetenloosheid' en 'hardheid'. Maar het boek werd serieus besproken, van de Amerikaanse New York Times tot de Engelse Spectator en de Duitse Zeit. In veel gevallen werd Jan Cremer vergeleken met Céline, Genet en Henry Miller.
In Nederland waren maar weinig recensenten die geen enkele moeite hadden met Cremers moraal. Morriën, Blokker en Kossmann schreven met waardering over het boek. "Ik Jan Cremer werd vooral aangevallen," zegt Lubberhuizen, "serieuze literaire kritiek is er nauwelijks geweest. Pas veel later is het herontdekt en op de boekenlijsten van scholieren terechtgekomen." Dat de kritiek zich vooral ook tegen de schrijver persoonlijk en zijn uitgever richtte, maakte de recensies vaak troebel. Met het uitgeven van De Avonden van Gerard van het Reve (1947) en Zolang te water van Simon Vinkenoog (1954) had de Bezige Bij het vuil van de reactie al duidelijk leren kennen. En met de vertaling van Jack Kerouacs Subterraneans (1959) had de Bij ook al een geluid van de nieuwe tijd laten doorklinken. "Zo hebben we steeds geprobeerd de paaltjes te verzetten," zegt Lubberhuizen. "Ook met Ik Jan Cremer. Jan Cremer was de eerste hier die, binnen de literatuur, zo duidelijk afrekende met taboes en mooischrijverij." Jan Cremers held is net als Tijl Uilenspiegel, Baron von Munchhausen of Grimmelshausens Simplicissimus een rondtrekkende schelm die de samenleving van onder af bekijkt met een cynische, wat laatdunkende blik. Met middelen die niet iedereen bevallen, slaat hij zich er doorheen. In Ik Jan Cremer gaat het om een eigentijdse held die de taal van de jaren zestig spreekt en de samenleving van de jaren zestig te lijf gaat. Het is een verslag uit een afwijkende cultuur en een aanval op de hypocrisie en de zelfgenoegzaamheid van de door en door burgerlijke Hollandse maatschappij, die bij het verschijnen van het boek nog in wederopbouw, godsvrucht en orangisme was gedompeld. En wat voelde dat Holland zich gestoken door die exhibitionistische, schaamteloos naar roem en poen jagende picaro. "Elke steen in Nederland schudde," stelt Jan Cremer vast, "over wat er toen in Holland gebeurde, zullen de mensen later heel wat te bestuderen hebben." Er zijn hier nu 350.000 exemplaren van Ik Jan Cremer verkocht (een kwart miljoen van deel II). De schrijver rekent globaal uit dat zijn bestseller, vooral dank zij Amerika, Engeland, Duitsland, Japan en de Spaans sprekende landen, een oplage heeft bereikt die tussen de twaalf en veertien miljoen moet liggen. Zijn Amerikaanse agent houdt het allemaal bij. "Ik ben miljonair geworden, maar het geld moet rollen," zegt hij, "ik heb er goed van geleefd en ik leef er nog steeds goed van. Geld is vrijheid, begrijp je wel? Zo kon ik jaren lang mijn wereldreizen maken. Nu leef ik wat vaster. Ik beweeg me langs de lijn Hawaii, waar ik een stek heb, New York, waar ik woon, Londen, Amsterdam, Berlijn en Bern waar ik ook overal stekken heb en waar ik werk.
"Ik kan me dat allemaal permitteren. Ik ben opgegroeid in een arbeidersbuurt en ik heb één jaar ulo gehad. Ik ben er trots op dat van Japan tot Denemarken professoren zich over mijn werk buigen. Ik heb nooit literaire aspiraties gehad. Allerlei literaire heren schreven mij invloeden toe van Miller, van Genet en van Céline. Daar zijn zelfs scripties over geschreven. Maar ik heb die schrijvers nooit gelezen. Iemand gaf mij Céline cadeau, de Reis naar het einde van de nacht. Kwam ik niet doorheen.
"Mijn favoriete boek is De brave soldaat Schwejk. Ben ik mee opgegroeid. En Hermans lees ik, maar verder kom ik niet aan literatuur toe." De veelal ernstige en vergeleken bij zijn held uit Ik Jan Cremer nogal zachtmoedige auteur begint nu onbedaarlijk te lachen: "Die prachtige motto's, voorin mijn boek, die zijn door Sleutelaar en Vaandrager aangedragen. Alleen dat van Hermans ('Wat is een held? Iemand die straffeloos onvoorzichtig is geweest') heb ik zelf uitgekozen. Maar die andere, zoals dat van Molière ('Faire de la prose sans le savoir'), daar heb ik nooit wat van begrepen!"