Een leven lang....
Zoeken
Een kwart eeuw onverbiddelijke bestseller
Schrijver Cremer, Jan
Titel Ik Jan Cremer
Jaar van uitgave 1964
Bron Trouw
Publicatiedatum 06-07-1989
Recensent Rob Schouten
Recensietitel Een kwart eeuw onverbiddelijke bestseller

'De onverbiddelijke bestseller' stond op de omslag van het boek, nog voor er één exemplaar van verkocht was. Een idee van de schrijver, die zich naast deze kreet liet afbeelden, nors op een motor zittend alsof hij op zijn publiek wilde inrijden. Dat gebeurde een kwarteeuw geleden toen niemand nog kon bevroeden dat Literaire Reuzenpocket nummer 64 van De Bezige Bij inderdaad een onverbiddelijk een bestseller zou worden die onlangs zijn 44e druk beleefde. Rob Schouten over het - inmiddels achterhaalde - fenomeen Ik Jan Cremer.
Wie in 1989 'de onverbiddelijke bestseller' Ik Jan Cremer, dit jaar een kwarteeuw uit, ter hand neemt, kan zich nauwelijks voorstellen dat het boek indertijd zoveel stof deed opwaaien, niet alleen in literaire kringen, maar eigenlijk in heel Nederland. Wat Cremer van plan was, rijk en beroemd te worden, lukte hem in één klap. Dat het inmiddels een tamelijk tam boek lijkt, zegt veel over de veranderingen in vijfentwintig jaar: Ik Jan Cremer is allang voorbijgestoven door de Nederlandse maatschappij. Dat neemt niet weg dat het nog steeds in de winkel ligt, vierenveertigste druk, want hoe er ook tegen ten strijde werd getrokken, het is wel degelijk een classic geworden, en een herinnering aan woeliger tijden.
Ik zat nog op de lagere school toen ik de naam Jan Cremer voor het eerst hoorde vallen, bij mijn grootouders thuis. Mijn grootvader, normaal gesproken goed voor de afname van één boek per kwartaal uit de Boekenclub, had zich, aangetrokken door het onontkoombare gerucht de Literaire Reuzenpocket nummer 64 van De Bezige Bij, dik driehonderdtweeënveertig pagina's, prijs zes gulden vijftig, aangeschaft, en zat dat nu verontwaardigd te lezen.
Zo moet het in duizenden gezinnen dat jaar zijn gegaan. Alle publiciteit, en vooral de negatieve, rond Ik Jan Cremer, stuwde de verkoopcijfers van dit debuut tot ongekende hoogten. Het regende banvloeken, ingezonden brieven, verontruste ouders en herdrukken. Nederland wond zich op in 1964. Er was verandering van weer op til. Provo zat er aan te komen, de Beatles en de lange haren waren gelanceerd, Jan Cremer gooide zijn boek in de bus bij brave burgers, die dachten juist rustig van de toegenomen welvaart te kunnen genieten.
Achteraf is het makkelijk om het fenomenale succes van Ik Jan Cremer als een tijdverschijnsel te zien, maar in die tijd zelf leek het boek nog een corpus alienum, een vijandig element dat bezig was de gezonde Nederlandse geest te infiltreren.

'Nozem'
Wie was Jan Cremer eigenlijk? Een branieschopper uit Enschede, toen nog 'nozem' geheten, met een op z'n minst merkwaardige achtergrond. Vader altijd op sjouw geweest, inmiddels overleden. Moeder Hongaarse, die het Nederlands niet goed beheerste. Jantje Cremer groeide op voor galg en rad, te midden van smokkelaars, hoeren, zeelui en zwervers, van opvoedingsgesticht naar opvoedingsgesticht, en zonder aan de Tweede Wereldoorlog, aan de vooravond waarvan hij geboren was, een sterk moreel besef te hebben overgehouden. Niet bepaald de voorgeschiedenis van een schrijver.
Met lak aan, en vermoedelijk ook een fiks gebrek aan kennis vàn de heersende normen in de kunst, verschafte hij zich toegang tot de artistieke sector. In 1963, nog voor Ik Jan Cremer, hoorde Nederland al van hem. Jan Cremer was schilder. In z'n eentje belichaamde hij wat hij noemde de 'Peinture Barbarisme' en verfde brullende schilderijen met titels als 'Kosmosmaannacht', 'Kristalkrater' en 'Roodmassief'. Voor het schilderij 'Guerre Japonais' vroeg hij één miljoen gulden. Hij kreeg het niet, wel stukjes op de voorpagina.
Jan Cremer was ook schrijver. Zijn eerste verhalen verschenen in het avant-gardetijdschrift Gard Sivik. Redacteuren Cornelis Bastiaan Vaandrager, Hans Sleutelaar en Simon Vinkenoog zagen er veel in. Ze bevalen hem aan een roman te schrijven en een uitgever te zoeken. Cremer trok zich terug in het huis van een bevriend fotograaf, veegde in drie maanden zijn hele kleurrijke verleden in 145 feuilletons bij elkaar en pepte het geheel op met nog aanzienlijk avontuurlijker fantasieën, waartoe het lezen van veel pulp hem had geïnspireerd.
Voorin schreef hij 'Situaties en personen, in mijn boek beschreven, komen uitsluitend voort uit mijn verbeelding' en achterin 'Wordt vervolgd', want Nederland was nog niet van hem af. Het geheel bracht hij naar De Bezige Bij, die het prompt uitgaf. Nog voordat er een exemplaar van was verkocht liet hij de verschrikte uitgever op het omslag, naast het hoofd van de nors op een motor zittende schrijver die op zijn publiek leek te willen inrijden, afdrukken 'de onverbiddelijke bestseller'. Een voorschot op het succes dat inderdaad onverbiddelijk zou volgen.

Mooie meiden
Cremer kreeg zijn roem op een presenteerblaadje, waar hij vervolgens zelf mee ging rondlopen. Toen het geld eenmaal begon binnen te stromen schafte hij zich een witte Mercedes Sport aan en liet zich in gezelschap van mooie meiden op het Leidseplein bekijken. Het verhaal wil dat hij zich in Café Americain regelmatig liet opbellen door vrienden zodat hij zich na het 'telefoon voor de heer Cremer' steeds opvallend naar de uitgang kon spoeden. Zijn onmiskenbare neus voor publiciteit verklaart echter niet alleen het succes van het boek, waaraan hij zijn naam had te danken. Dat had evengoed kunnen floppen. Maar de ergernis van de Nederlandse kritiek en de commotie in de kranten deed haar averechtse werk. Wat stond er nu eigenlijk in dat aanstootgevende boek? Van de critici kwam je het niet te weten. Die pasten er wel voor om er iets uit te citeren. Ze vonden het een smerig, vies stuk pornografie met een sadistisch-fascistische inslag. Of ze noemden het kindergedoe; criticus Pierre Dubois sprak van 'debiel infantilisme, dat men de auteur bezwaarlijk kan aanrekenen'. Dus kreeg De Bezige Bij een muilpeer omdat ze 'een boek waarin het aan de meest elementaire beschaving ontbreekt' had uitgegeven. Ook de Panorama liet zich niet onbetuigd over 'een klaarblijkelijk pathologisch geval, dat in zich de infectiehaard draagt, die onze opgroeiende jeugd kan besmetten'.

De Smerige Bij
De felste aanklacht kwam bij Trouw vandaan, jazeker déze krant. Criticus Koos van Doorne schreef dat Cremer een 'viespeuk en misdadiger' was, Ik Jan Cremer de 'gedeeltelijk gefantaseerde biografie van een schoft' en De Bezige Bij, inmiddels omgedoopt tot De Smerige Bij, een 'stinkuitgeverij'. Het boek had niet uitgegeven mogen worden. Dat was tegen het zere been: De Bezige Bij voelde zich in de goede naam aangetast en spande een proces tegen Trouw aan. Een proces dat ze makkelijk won.
Nogmaals, wat stond er nou eigenlijk in Ik Jan Cremer? Men hield het meestal op een samenvatting, met de aantekening dat men om zoveel te beleven als Jan Cremer wel een honderdjarig leven moest lijden, dus toch alsof Cremer beweerde dat het allemaal waar was gebeurd. Tientallen baantjes, van afwasophaler tot varkenskoppensjouwer, omzwervingen door Europa en Noord-Afrika, avonturen ter land en ter zee, de wonderlijkste bezigheden: als kermisbokser, cowboy, vrijwilliger in het Vreemdelingenlegioen, academieleerling in Parijs, handelaar in aardstralenkastjes. Maar vooral trof toch wel het buitensporig grote aantal verhoudingen waarvan Cremer gewaagde, met gravinnen, fotomodellen, dichteressen, hoeren, balletdanseressen. Kortom, een zwerver en een opschepper, maar wat was daar nou eigenlijk op tegen?

Sadistisch
De een vond het pornografisch omdat Cremer al zijn seksuele activiteiten bij de naam noemde. De ander sadistisch, omdat er geslagen, geschopt, ja zelfs gemoord werd (al was de moord op een directeur van een opvoedingsgesticht duidelijk verzonnen). Weer anderen stelden vast dat het boek wemelde van de Tante Betjes en dat Cremer geen fatsoenlijke zin bij elkaar kon schrijven.
In latere drukken van Ik Jan Cremer nam de schrijver een aantal van die reacties op, en gebruikte ze als geuzenreclame. In een daarvan (B. Roest Crollius in Het Nieuwe Boek) werd eindelijk eens iets geciteerd, ter illustratie van de gemene laaghartigheid van de auteur: 'We zijn de hele dag de stad in geweest. Ook op de Eiffeltoren. Ik ben er eens geweest met het drie jaar oude dochtertje van een vriendin. We gingen op een bankje zitten, in het parkje aan de voet van de toren. Ik vertelde het meisje dat de reusachtige ijzeren constructie zich voedde met mensen die op onze bank zaten. Toevallig was er niemand in het parkje op dat ogenblik. De kleine begon opeens vreselijk te gillen en te schreeuwen. En wilde weg. Als we later maar even de spits van de Eiffeltoren zagen opdoemen begon ze al te gillen. De kleine zal later zeker geen kaarten naar huis sturen met de Eiffeltoren erop.' Zo'n onwaarschijnlijk beest was Jan Cremer.
Om er meer over te weten moest je het boek kopen. En inderdaad, het bleek allemaal waar: er werd druk in gecopuleerd, gevochten en rondgereisd. En het was allemaal heel woest en ongelikt. En bah: 'Ik herkende onmiddellijk de geur van Sophia. Direct ging ik met mijn blote kont op de warme rand zitten en voelde het warme vlees van Sophia Loren als het ware aan mijn billen. 'n Heerlijke kick was dat! Ik fantaseerde hoe ik haar zag door 'n glazen luikje onder in de pot. Inderdaad niet precies wat de lezers van Vestdijk en Bordewijk gewend waren, maar Cremer schreef wel op wat een heleboel diep in hun hart best wilden.

Raceboot
Het boek werd niet verboden, dus verkocht het. Cremer zelf grossierde intussen in epaterende interviews: 'Het succes schrijf ik toe aan mijn geniale persoonlijkheid. Het wordt tijd dat ook ik een Mercedes Sport krijg en een raceboot, en dat ik lekker in Zuid-Frankrijk in de zon kan liggen en relaxen, na het harde werk.' Precies dus wat iedereen wilde. Ook vroeg hij zich in het openbaar af 'Rembrandt, wie is dat?'
Zelfs het keurige Elseviers Weekblad zwichtte voor een vraaggesprek met het fenomeen, zodat het een week later de kolommen kon vullen met boze ingezonden brieven. Het boek zelf stond ook niet rustig in de kast. Een aantal Amsterdamse eerstejaars studenten ging een exemplaar aanbieden aan de bibliotheek in Staphorst-Rouveen, waar men het boek weigerde in ontvangst te nemen; het was 'onzindelijk'. In Hengelo nam een politieman het op eigen houtje bij een boekhandel in beslag en moest het van zijn commissaris weer terugbrengen. Er vielen ook positieve geluiden te noteren. Een enkele criticus noemde het een 'eerlijk kunstwerk'. Sommige schrijvers liepen ermee weg. Hugo Claus bijvoorbeeld, en zelfs W.F. Hermans die vond: 'Jan Cremer is de Douanier Rousseau van de schelmenroman. Zijn boek is een bandeloze ontploffing tussen autobiografie en mythomanie. Ik heb het in één ruk uitgelezen.'
Intussen staken geruchten de kop op dat niet Cremer zelf het boek had geschreven maar een ghostwriter. Men dacht aan Simon Vinkenoog en C.B. Vaandrager, Cremers ontdekkers van het eerste uur. Een zekere Gerard Kreuger spande vanuit de gevangenis, waar hij toevalligerwijs vertoefde, een proces tegen Cremer aan omdat hij het manuscript van 'Ik Gerard Kreuger' zou hebben gestolen en het nu voor zijn eigen werk liet doorgaan. Bij een duister eenmansuitgeverijtje verscheen het boek Hij Jan Cremer, geschreven door een zekere Denis Arnolds, nom de plume voor de Vlaamse Helène Schepers. De Bezige Bij liet via een proces het boek verbieden.

Wij Jan Cremer
Over de verschillende Jan Cremers gesproken: er zou ook een film komen, Wij Jan Cremer geheten (en bij het verschijnen van Jan Cremers pil De Hunnen schreef A. Moonen een stuk onder de geestige kop 'Hun Jan Cremer'). De film kwam er niet. Cremer nam wel een singletje op, samen met Tony Knight and his Chessmen, onder de eenvoudige titel 'Boom-Boom-Boom', inmiddels een gezocht collectors-item, want toentertijd verkocht het voor geen meter en het eenmalige platenmaatschappijtje ging halsoverkop failliet.
De schrijver zelf spoedde zich intussen, geheel in de lijn van zijn boek, nog steeds van vrouw naar vrouw, sommigen haast even beroemd als hijzelf: de mannequin Loesje Hamel, de popzangeres Nico. En van continent naar continent. Als hij niet in Nederland was hield hij kwartier in het Newyorkse Chelsea Hotel.
Maar de Amerikaanse uitgave van I Jan Cremer werd een flop. Slechts 20.000 exemplaren werden er volgens de uitgever van verkocht. De Amerikanen hadden hun Jan Cremers al gehad, daar heetten ze Henry Miller, William Burroughs en Jack Kerouac, auteurs waarmee Cremer in Nederland al was vergeleken. Het boek dat vernietigende recensies kreeg, kwam terecht op de stapeltjes zinnenprikkelende lectuur, overigens naast andere onreine werken als Fanny Hill.

Tijdverschijnsel
Langzamerhand begon ook Jan Cremers faam in Nederland te tanen. Ik Jan Cremer Twee verkocht nog wel, maar haalde het niet bij het eerste deel. Het kreeg wel, na protest van een van de juryleden, de Literaire Prijs van de Stad Amsterdam, misschien wel een veeg teken. Het nieuws was er af, Nederland had Cremer intussen verwerkt. Hij heeft zijn grote succes nooit kunnen herhalen. Ondanks het feit dat Cremer zelf de P.R. ter hand nam viel zijn laatste poging De Hunnen als de baksteen die het met z'n vijftienhonderd pagina's ook ongeveer woog. Een bewijs dat niet alleen Cremers gevoel voor publiciteit van Ik Jan Cremer 'Iedereen Jan Cremer' maakte. De verkoopcijfers van Ik Jan Cremer moeten inderdaad een tijdverschijnsel zijn geweest. Het boek was de overtreffende trap van de morele en seksuele vrijheid die kunstenaars zich aan het begin van de jaren zestig begonnen te permitteren. Vooral jonge lezers moeten er, onwillig of niet, veel van hun eigen geheime fantasieën in hebben herkend. In 1962 was de beeldhouwer Jan Wolkers al begonnen de leraren op middelbare scholen het schaamrood op de kaken te jagen. Men kon in zijn boeken nog net genoeg mooie passages ontdekken om ze met tegenzin te laten passeren. Mr. Hartsuiker, de Amsterdamse officier van Justitie, liet in hetzelfde jaar 1964 de verspreiding van het eerdergenoemde Fanny Hill, memoires van een achttiende-eeuwse prostituee verbieden.
En Robert Jasper Grootveld mocht niet door Amsterdam rondkarren op een bakfiets met drie rotaprenten van Aat Veldhoen, voorstellende 'een naakte man en een naakte vrouw die vleselijke gemeenschap met elkaar hebben, in ieder geval geslachtelijke handelingen met elkaar plegen'. Het bracht de criminoloog Willem Nagel (de schrijver J.B. Charles) tot de memorabele uitspraak: 'Waartoe heb ik mijn zinnen, als zij niet geprikkeld mogen worden.' Een ander zedenkwetsend geval uit die dagen was het boek Liesbeth en de wereld van Bob en Daphne, een jeugdboek van de schrijver Han B. Aalberse (eigenlijk J. van Keulen), waarin de hoofdpersonen het met elkaar deden. Al vanaf 1959 werd er over geprocedeerd, tot het in 1965 definitief werd verboden; een affaire die langer duurde dan de Tweede Wereldoorlog, zou de auteur later opmerken. In 1966 verscheen het toch, met Latijnse termen overal waar het ronde Nederlands de lezer teveel zou kunnen worden. Kortom, in 1964 was Nederland nog een preuts land, dat er van hield dingen te verbieden of verontwaardigd te veroordelen. Nog opvallender is dat er opeens zoveel viel te verbieden. Maar Ik Jan Cremer mocht toch al.

Vijftig
Een enquête onder leraren wees uit dat die eigenlijk niet zo zwaar tilden aan de geestelijke schade die Wolkers, Cremer en Aalberse zouden aanrichten: 'In het algemeen genomen, lezen laten.' 'De meeste jongeren hebben zoveel elastiek in hun ziel dat ze een stootje beslist wel kunnen opvangen.' 'Ik ben niet bang voor de slechte invloed van een bepaald deel van de literatuur.' Ook dat zegt iets over de veranderende tijdgeest.
Vijfentwintig jaar na dato heeft de maatschappij wel iets anders aan haar hoofd dan het gevaar van zinnenprikkelende literatuur met een zogenaamd funeste uitwerking. En Jan Cremer is, zonder bepaald een groot schrijver te zijn geworden, allang ingeburgerd in de Nederlandse cultuur. Verwonderd blikt men terug op de schandalen die zijn boek ooit veroorzaakte. Hij schildert nog voornamelijk, en je kunt hem op gezette tijden gewoon in Amsterdam zien lopen, zonder Witte Mercedes. Volgend jaar wordt hij vijftig.