Een leven lang.... Een leven lang....
Zoeken

Over Leo Vroman

Leo Vroman werd op 10 april 1915 geboren te Gouda. Hij was de tweede zoon (zijn broer Jaap was drie jaar eerder geboren) van Samuel Jacob Vroman en Anna Vroman-Vromen.

Zijn beide ouders waren joods. Leo bezocht de Willem de Zwijgerschool voor gewoon lager onderwijs aan de Martenssingel en de HBS aan de Krugerlaan.

In zijn jongensjaren bleken al zijn ongewone tekentalent en zijn interesse voor de natuur.

In september 1932 ging hij in Utrecht biologie studeren. ‘Hoewel biologie een zware studie was, vond Leo die een zeer briljant verstand had, vrij veel vrije tijd om de ongemeen speelse kant van zijn wezen in stand te houden en te ontwikkelen en experimenteerde hij veel met poëzie zowel als met proza en ook zeer veel met tekenen.’ (A. Koolhaas, Leo Vroman zestig jaar. Tirade 1979, nr. 205). Zo ontwierp hij decors voor het toneelgezelschap van de studentenvereniging Unitas, waarvan ook Koolhaas en A. Alberts lid waren. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant tekende hij elke week een cartoon van een aapje, Voor dezelfde krant maakte hij in 1937 samen met Koolhaas Stiemer en Stalma, een stripverhaal voor jonge kinderen. Koolhaas schreef de tekst en Vroman maakte de tekeningen. Zijn gedichten publiceerde hij in het studentenblad Vivos Voco. In september 1938 ontmoette hij, bij een maaltijd van Unitas, Georgine Maria Sanders, Tineke, met wie hij zich korte tijd later zou verloven.

In mei 1940, na de Nederlandse capitulatie, vluchtte hij - zonder Tineke, die daarvoor volgens haar moeder te jong was - van Utrecht via Scheveningen naar Engeland. Vandaar reisde hij naar Zuid-Afrika. Gedurende een tiendaags verblijf in Kaapstad bezocht hij bijna dagelijks Jan Greshoff, die daar sinds de herfst van 1939 woonde. Tussen beiden ontstond een hechte vriendschap. Op 23 juli 1940 vertrok Vroman naar Indië, waar hij op 7 augustus arriveerde. In Batavia zette hij zijn studie voort. Hij behaalde zijn doctoraal en kreeg een betrekking als assistent zoölogie aan de Geneeskundige Hogeschool te Batavia. Voor een weekblad tekende hij in die tijd een stripverhaal over Tottie de sfinx en in het maandblad De Fakkel publiceerde hij een verhaal, dat later zou worden opgenomen in de bundel De adem van Mars .

Begin 1942 moest hij zich melden bij de Landstorm om Indië te helpen verdedigen tegen de Japanners. Na de overgave van Indië werd hij opgesloten in een groot verzamelkamp voor gevangenen in Bandoeng. Na enkele maanden werd hij vandaar overgebracht naar een kamp in Tjilatjap, aan de zuidkust van Midden-Java, waar de Japanners door systematische terreur het moreel van de gevangenen wilden breken. ‘Onder al deze voor de meesten bijna ondraaglijke spanningen, bewoog alleen Leo zich op de meest natuurlijke en zelfs ongedwongen wijze. Hij hield zich zoveel mogelijk schuil en schreef gedichten.’ Aldus Rob Nieuwenhuys in een herinnering ( recensie(s)) aan het kamp, die hij optekende naar aanleiding van het verschijnen van Vromans 262 gedichten. Vroman schreef in het kamp onder meer het bekende gedicht ‘Borstvogel’.

In januari 1943 werd hij overgebracht naar een kamp in Tjimahi, nabij Bandoeng. Weer later werd hij via Singapore naar Osaka in Japan getransporteerd. Daar schreef hij de novelle ‘Trihinde’, later gepubliceerd als Tineke . ‘Het verhaal was min of meer een voorstelling van mijn jeugd, die ik kende, geleefd door Tineke, die ik ook kende; twee onderwerpen waarvan ik hield.’ (Snippers van Leo Vroman, p. 26.) Nadat hij in 1945 nog enkele maanden had verbleven in een kamp in Nagaoka, kon hij Japan als vrij man verlaten. Via Manila reisde hij naar de Verenigde Staten, waar zijn oorspronkelijk geplande terugreis naar Nederland eindigde. Zijn oom, prof. L. Snapper, wist hem er immers van te overtuigen dat zijn toekomst als wetenschapsman in Amerika lag. In een ziekenhuis in New Brunswick werd hij als assistent betrokken bij het onderzoek van bloed. In september 1947 arriveerde ook Tineke in Amerika. Op 10 september trouwde ze met Leo in Trinity Church te Highland Park, New Jersey. Ze gingen wonen in New Brunswick, vanwaar ze in 1952 naar New York verhuisden, waar Leo in het Sinai Hospital ging werken. In 1950 werd een eerste dochter, Geraldine, geboren, twee jaar later gevolgd door Peggy Anne.

Als wetenschapsman groeide Vroman uit tot een autoriteit op het gebied van de biochemische en biofysische verschijnselen in de bloedstolling. Nadat hij onder meer werkzaam was op het Department of Animal Behaviour van het American Museum of Natural History in New York, werd hij in 1965 verbonden aan het Veterans Administration Hospital in Brooklyn. In 1967 publiceerde hij het boek Blood, dat een jaar later als Bloed in het Nederlands werd vertaald. Het is een speels-poëtisch en toch wetenschappelijk nauwkeurig essay, bijzonder knap in zijn soort. Bij collega-hematologen is Vroman vooral bekend vanwege het naar hem genoemde Vroman-effect, het verschijnsel dat bloedstolling geen rechtlijnig proces is, maar dat eiwitten in bloed elkaar tijdens het stollen voortdurend beïnvloeden.

Leo en Tineke Vroman hebben vijftig jaar in New York of in de buurt daarvan gewoond. In 1997 verhuisden ze naar Fort Worth in Texas, in de buurt van Dallas en van hun jongste dochter. Al is Vroman sinds 1940 telkens slechts voor korte perioden teruggekeerd in Nederland, toch is hij een van onze belangrijkste naoorlogse dichters. Dat het hem aan erkenning niet ontbreekt, blijkt wel uit de prijzen die hem in de loop der jaren zijn toegekend. Tot de belangrijkste horen de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 1950 voor Gedichten, vroegere en latere ( recensie(s)), de P.C. Hooftprijs 1964 voor zijn gehele oeuvre, de Prijs van het Kunstenaarsverzet 1965 voor zijn gehele oeuvre en de VSB Poëzieprijs 1996 voor Psalmen en andere gedichten . Dezelfde bundel werd in 1998 genomineerd voor de Europese Aristeion Prijs.