Een leven lang.... Een leven lang....
Zoeken

Over Marten Toonder

Marten Toonder werd op 2 mei 1912 geboren te Rotterdam. Hij is de oudste zoon (zijn broer Jan Gerhard is twee jaar jonger) van Marten Toonder, gezagvoerder ter koopvaardij, en Catharina Huizinga.

Van jongs af is hij, zoals Jan Gerhard schrijft in de uitleiding van Een heer moet alles alleen doen, ‘een geboren verhalenmaker’: ‘Dat moet ik als jongste broer tenminste wel aannemen, want zover als mijn geheugen terugreikt in het verleden van mijn prilste jaren, gonst het er al van zijn verhalen.’

Teruggekeerd van een overwintering voor de Canadese kust, brengt Marten sr. in 1917 enkele Amerikaanse kranten mee, waaronder ook een ‘comic weekly’. Zodoende maakt Marten jr. kennis met strips als Bringing up father, Mutt and Jeff en Barney Google, wat hem inspireert om de figuren uit zijn verhalen ook een concrete gestalte te geven. Poppen en later papier-maché soldaatjes en houten matroosjes, elk met een eigen individualiteit, bevolken in een decor van karpetten en schoendozen een steeds drukkere wereld waarin Marten en Jan Gerhard heer en meester zijn. Als de speelgoedfiguurtjes niet langer representatief zijn voor de persoonlijkheden die ze vertegenwoordigen, zoekt Marten een creatieve uitweg. Uit tijdschriften tekent hij op papier menselijke gestalten over, die hij vervolgens inkleurt, op karton plakt en uitknipt.

Inmiddels staan de broers ook middenin het ‘gewone’ leven van de school en het spelen met vriendjes. In de reeds genoemde uitleiding in Een heer moet alles alleen doen vermeldt Jan Gerhard dat uitdrukkelijk ‘om duidelijk te maken dat iemand met een verhalend talent niet per se een onmaatschappelijke neuroticus behoeft te zijn’. Marten gaat in 1918 naar de school voor gewoon lager onderwijs op de Westersingel in Rotterdam. Nadat hij heeft leren lezen en schrijven, besluit hij striptekenaar te worden, maar al snel moet hij vaststellen dat daarin geen les wordt gegeven. Vanaf 1920 bezoekt hij nog zes verschillende scholen voor gewoon lager onderwijs, omdat zijn moeder ieder jaar verhuist. In 1926 gaat hij naar een school voor mulo in Spangen en een jaar later naar de Nieuwe Middelbare Handelsschool op de Westersingel in Rotterdam. Van enig serieus onderricht in tekenen is hier net zo min sprake als op zijn vele lagere scholen.

Het elke dag opbouwen van de decors van de eigen verhaalwereld in de ‘jongenskamer’ is inmiddels tot een einde gekomen: bepaalde opvoeders vinden het maar bedenkelijk dat ‘grote’ jongens hele middagen met kinderspeelgoed op de grond zitten. Zo neemt het vertellen van verhalen (met nog steeds dezelfde hoofdfiguren) weer een aanvang en Marten is daarin onbetwistbaar de meerdere van zijn broer. Om zijn verhalen aanschouwelijk te maken, plakt hij nu door hemzelf getekende figuren op karton. Weer iets later tekent hij volledige prenten met achtergronden en acties. Aan de avondlijke vertelsessies komt een einde als de broers ieder een aparte kamer krijgen en bovendien andere interesses. Marten richt een eigen scholierenvereniging op, waarvan hij zelf de voorzitter is. Na de gedwongen ontbinding van deze vereniging wordt hij voorzitter van de reglementaire schoolclub en in 1931 haalt hij ‘bijna blindelings’, aldus Jan Gerhard, het eindexamen.

Als beloning mag hij zijn vader, die dan gezagvoerder is op de SS Alcyone, vergezellen op een reis naar Zuid-Amerika. In Montevideo ontmoet hij Jim Davis, een Amerikaanse cartoonist die vroeger nog aan Felix the Cat heeft meegewerkt en die werkt voor de studio van de Argentijn Dante Quinterno. Die vertelt hem dat het maken van cartoons in de eerste plaats een ‘roeping’ is. Toonder neemt zich op deze reis voor om ook zijn roeping te volgen en tekenaar te worden. Van zijn vader krijgt hij één jaar om te bewijzen dat striptekenen een vak is waarmee hij in zijn onderhoud kan voorzien. Hij schrijft zich in voor de Rotterdamse Tekenacademie, maar verlaat die na drie maanden teleurgesteld als zijn eerste werkstukken onvoldoende worden bevonden. Zijn eerste strips, Tobias en De lotgevallen van Bram Ibrahim, verschijnen respectievelijk in 1931 bij uitgeverij Helmond en in 1932 in het gereformeerde dagblad De Nederlander.

In oktober 1933 treedt hij in Leiden in dienst bij de Nederlandsche Rotogravure Maatschappij, een drukkerij die ook enkele bladen uitgeeft, onder meer het weekblad Unicum. Bij de feuilletons daarin maakt hij tekeningen en verder moet hij ook zorgen voor cartoons en voor een flink aantal in meerderheid reeds bestaande strips als Dikkie en Dunnie, Jim en Soe en The New Nonsens Film Cy. Ter vervanging van de strip Bruintje Beer (oorspronkelijk Rupert Bear) van Mary Tourtel tekent hij van 24 maart 1934 tot 18 oktober 1938 een strip over de witte beer Thijs IJs. Phiny Dick, zijn buurmeisje met wie hij in 1935 trouwt, helpt hem bij het samenstellen van het scenario, terwijl Jan Gerhard de teksten voor zijn rekening neemt.

In 1938 begint hij bovendien te werken voor Diana Edition, een naar Amsterdam uitgeweken Weens persbureau dat vooral in strips is gespecialiseerd. Daarvoor tekent hij de 'gag'weekstrips Don Sombrero en Tom Poes. Don Sombrero verschijnt van 1938 tot 1941 in Argentinië en Tsjechoslovakije. Van Tom Poes maakt hij tevens een tekststrip. Omdat de figuur van Tom Poes in Nederland te kinderachtig wordt gevonden, bergt hij de strip op in een lade. Voorlopig althans.

Als de Nederlandsche Rotogravure Maatschappij in 1939 door de nood der tijden een zoveelste salarisvermindering doorvoert, neemt Toonder ontslag. Hij besluit voor zichzelf te beginnen en vestigt zich in Amsterdam. Hij ontwerpt de stripfiguur Jopie Makreel voor Doe mee en in samenwerking met Polygoon gaat hij experimenteren met teken- en poppenfilm. In 1941 wordt de publicatie van Mickey Mouse in De Telegraaf op last van de bezetter verboden en Tom Poes neemt als tekenstrip de opengevallen plaats in. Op 16 maart 1941 begint ‘Tom Poes ontdekt het geheim van de blauwe aarde’, het eerste verhaal in de serie ‘Avonturen van Tom Poes’. De strip is al snel zo succesrijk dat er kalenders, puzzels en wandplaten van worden gemaakt. Toonder is genoodzaakt medewerkers en assistenten aan te trekken. In juni 1942 gaat hij een compagnonschap aan met Joop Geesink. De Geesink-Toonder Productie maakt naast strips ook films, zoals ‘Pierus Peddelaar’, een tekenfilm voor de Nederlandse Spoorwegen, en een poppenfilm voor Philips. Tot de medewerkers van het eerste uur behoren onder meer John van der Meulen, Kees van der Weert, Wim Lensen, Frits Godhelp, Jan Gerhard Toonder en Hans G. Kresse.

In maart 1943 wordt de firma ontbonden: Geesink neemt de poppenfilm-productie over en Toonder gaat verder met strips en tekenfilms in de Toonder Studio’s aan de Nieuwezijds Voorburgwal, waar al snel meer dan honderd mensen emplooi vinden, onder wie vele onderduikers. Er gebeurt ook veel illegaal werk, zoals het vervalsen van persoonsbewijzen, stempels en marsbevelen. In een afzonderlijk gebouw wordt een tweede studio geopend, waar de drukkerij DAVID (De Algemene Vrije Illegale Drukkerij), opgericht door Dick van Veen en Jo Pellicaan, een onderkomen vindt. Daar wordt onder meer het ondergrondse blad Metro gedrukt, waaraan ook Toonder (met spotprenten) en zijn broer meewerken.

In Het geluid van bloemen, het tweede deel van zijn autobiografie, dat hij zelf het verslag noemt van vijf ‘verstreuvelde’ jaren, schrijft hij dat het pas na Dolle Dinsdag echt tot hem begint door te dringen dat De Telegraaf, waarin nog elke dag de Tom Poes-strip verschijnt, steeds meer het symbool van ‘fout’ is geworden. Hoofdredacteur Spaan geeft hem zelf aan dat het hoog tijd wordt te vertrekken. De krant zal overgaan in de handen van de SS en louter een propagandakanaal voor de bezetter worden. Op 20 november breekt het Tom Poes-verhaal ‘De Chinese waaier’ af. Nadat een zenuwarts hem een paar weken heeft laten opnemen in een afdeling voor manisch depressieven, is Toonder ongeschikt bevonden voor welke arbeid dan ook. In zijn woonhuis aan de Keizersgracht zet hij het werk voor Metro voort.

In 1946 heropent hij de studio aan de Keizersgracht. De leiding berust nu bij hemzelf, bij zijn vader en bij Anton de Zwaan, die als compagnon tot de firma toetreedt. Na het einde van de oorlog komen er meer mogelijkheden voor internationale plaatsing van strips en gaat de firma zich toeleggen op ‘syndication’. Op aanvraag van de Gemeenschappelijke Pers Dienst creëert Toonder in 1946 een nieuwe strip, Panda, die even later wordt gevolgd door Kappie. Op 10 maart 1947 verschijnt ook Tom Poes weer in de krant, niet in De Telegraaf (die heeft dan nog een verschijningsverbod), maar tegelijkertijd in de NRC en de Volkskrant, terwijl hij ook in Zweedse, Deense, Engelse, Franse en Belgische kranten een plaatsje verovert. In 1948 loopt Tom Poes al in veertien landen en Panda blijft daar niet ver bij achter. Eind 1947 verhuizen de studio’s naar de Reguliersdwarsstraat, waar op de zolder een filmruimte wordt ingericht. Naast opdrachtfilms, onder meer voor Philips, worden er ook vrije films, vooral tekenfilms, gemaakt, maar die zullen commercieel weinig succesvol blijken.

In 1954 maakt Toonder nogmaals een nieuwe strip, Koning Hollewijn, die in Nederland uitsluitend in De Telegraaf wordt gepubliceerd. In die tijd produceren de studio’s, waarvan de zakelijke leiding sinds 1953 berust bij de heer Back sr., niet minder dan negentien verschillende strips. Tijdens een vakantie in 1965 realiseert Toonder zich dat hij ‘een zorgelijk ondernemende werkgever’ is geworden in plaats van ‘een schrijvende tekenaar’. Hij verhuist van Blaricum, waar hij sinds 1955 woont met zijn vrouw en vier kinderen (twee zoons, twee geadopteerde dochters, naar Greystones (co. Wicklow) in Ierland. Tom Poes vergezelt hem daarbij, want van dan af neemt hij het tekenen en schrijven ervan weer geheel voor zijn rekening. Bert Kroon wordt managing director van de Toonder Studio’s, die in 1967 verhuizen naar kasteel ‘De Nederhorst’ in Nederhorst den Berg, waar ook Geesink Filmproductie wordt gehuisvest.

Op 26 juni 1971 stopt Toonder na 5266 afleveringen (73 verhalen) met Koning Hollewijn, omdat het gegeven uitgeput zou zijn. Eenzelfde lot is een jaar later Kappie beschoren: op 12 juli 1972 vaart hij voorgoed de wijde verten tegemoet, zonder hoop op terugkeer. Voor Tom Poes komt het einde op 20 januari 1986 (Toonder is dan 73 jaar) aan het slot van Het einde van eindeloos, waar Toonder de heer van stand veilig achterlaat onder de hoede van zijn kersverse echtgenote Doddeltje. Dat einde komt na ruim 47 jaar, 177 verhalen, 12.000 afleveringen, 35.000 plaatjes en 13 miljoen woorden.

Daarna heeft hij tijd om zich te wijden aan het optekenen van het verhaal van zijn leven. Het verschijnt in drie delen: Vroeger was de aarde plat (1992), Het geluid van bloemen (1993) en Onder het kollende meer Doo (1996). Het derde deel sluit af in 1965, als hij en zijn vrouw Phiny zich in Ierland vestigen. Omdat hun latere belevenissen in dat land door het verhaal heen zijn geweven, lijkt hij met dat jaar zijn levensgeschiedenis te kunnen afsluiten. In 1998 komt er echter nog een epiloog: Tera. In 1994 is hij nog geheel in de ban van het overlijden van Phiny als hij kennismaakt met de componiste Tera de Marez Oyens, die zelf na de dood van haar man ook een moeilijke periode achter de rug heeft. Hij had Auschwitz overleefd en had alle geloof in de goedheid van de mens verloren. De dag voor Toonder met haar trouwt, blijkt dat ze terminaal ziek is. De paar maanden daarna zijn maanden van afscheid. Voor ze sterft, vraagt ze hem hun geluk op te schrijven. Dat heeft hij twee jaar later in Tera gedaan. Eerder kon hij het niet.

Een aanvulling op zijn autobiografie vormen ook de brieven en herinneringen die hij heeft opgenomen in We zullen wel zien (2001), die voor een groot deel zijn gewijd aan Geert Lubberhuizen, de voormalige uitgever van De Bezige Bij. In 'Duistere zaken' in dat boek beschrijft Toonder hoezeer hij gesteld is op zijn dagelijkse wandelingen, die hem door de streek rond zijn oude landhuis in Greystones voeren. In 2001 heeft hij zijn geliefde Ierland verlaten en verblijft hij in het Rosa Spierhuis in Laren. Dat is geen vrijwillige keuze maar een beslissing die is ingegeven door het feit dat zijn huishoudster had moeten afhaken en hij zelf een longontsteking had opgelopen. Eens hoopt hij naar zijn innerlijke vaderland terug te kunnen keren.