Een leven lang.... Een leven lang....
Zoeken

Over Yvonne Keuls

Yvonne Keuls wordt als Yvonne Bamberg op 17 december 1931 geboren in het toenmalige Batavia in Nederlands-Indië.

Ze is de jongste van vier kinderen in een gezin met een Nederlandse vader en een Javaanse moeder, die een geboren verhalenvertelster is.

Als Yvonne zes jaar is, komt het gezin naar Nederland en vestigt zich in Den Haag, een overgang die ze zonder veel problemen doorstaat: 'Een kind is ontzettend plooibaar. Het past zich direct aan. Ik was hier meteen opgenomen.'

Omdat ze de wiskundeknobbel van haar vader blijkt te hebben geërfd, gaat ze na de lagere school de HBS-B volgen aan het Grotius Lyceum in Den Haag. Daar vindt ze in een klasgenoot, Carl van der Plas (de latere directeur van de Haagsche Comedie, en in de rector twee mensen die net als zij bezeten zijn van toneel. De rector (vader van de acteur Eric Schneider en de auteur F. Springer) dringt er bij haar moeder op aan Yvonne naar de toneelschool te laten gaan, maar die weigert en wil dat ze onderwijzeres wordt.

In 1952 krijgt Yvonne Bamberg haar eerste baan in het onderwijs: lerares van een zesde klas met maar liefst 53 kinderen in een volksschool in de Haagse Baambruggestraat. Omdat er niet genoeg schoolboekjes zijn, begint ze zelf leerstof te schrijven die direct met het eigen leven van haar leerlingen te maken heeft. Ze laat een piano in de klas plaatsen en maakt samen met de kinderen een musical, waarvoor ze zelf de kleren en andere benodigdheden ontwerpen. Ook het afdreunen van de tafels van vermenigvuldiging gaat op pianoklanken. De inspectie is niet ingenomen met deze weinig orthodoxe benadering en het volgend schooljaar (1953-1954) wordt ze terugzet naar een vierde klas, 'met een stuk minder kinderen', al zijn het er nog altijd 42.
Na haar huwelijk in 1954 met Rob Keuls wordt ze op school ontslagen en gaat ze als rekenaar werken op het kantoor van een verzekeringsmaatschappij. Bij de bloeiende toneelvereniging die de maatschappij rijk is, vat ze ook het toneelspelen weer op.

Na de geboorte van haar dochter Claudette in 1955 (in 1957 en 1961 worden respectievelijk Maryse en Gerdien geboren) begint ze met het schrijven van korte schetsen over haar dochters en daarna ook van gedichten, toneelstukken en hoorspelen.

In de jaren zeventig geeft ze veel lezingen op middelbare scholen over Couperus en Vestdijk naar aanleiding van de televisiescenario's die ze schreef op basis van romans van deze auteurs. Daardoor komt ze in contact met jongeren en hun soms schrijnende persoonlijke problemen. Haar betrokkenheid maakt dat ze 'probleemkinderen' tijdelijk in huis neemt, maar wanneer dit leidt tot een onhoudbare situatie, neemt ze samen met een arts van de Haagse GGD het initiatief voor een opvangcentrum voor jongeren in Den Haag. De ellende die ze tijdens haar werk in het JOS (Jongeren Opvang Sentrum) meemaakt, verwerkt ze door 's avonds op te schrijven wat overdag gebeurd is. Na een jaar gaat het JOS aan het eigen succes ten onder: de toeloop is zo groot dat enorme schulden gemaakt worden en een faillissement niet te vermijden is.

Daarna kloppen jongeren weer bij de schrijfster thuis aan, vaak jongeren met verslavingsproblemen. Dit brengt Keuls tevens in contact met de ouders van kinderen die aan de drugs zijn, waardoor ze zich ook gaat interesseren voor de overige leden van gezinnen waarvan een van de kinderen verslaafd is.
Bij de voorbereiding van boeken als Jan Rap en z'n maat en Het verrotte leven van Floortje Bloem kreeg zij al veel te maken met de psychiatrie. Daaruit ontstond de wens om ook eens een boek over psychiatrische inrichtingen te schrijven. Voor Meneer en mevrouw zijn gek brengt ze daarom een jaar lang veel tijd door in een psychiatrisch centrum in Den Haag.

Vanaf Daniël Maandag (1988) worden autobiografische elementen ook in haar novellen en romans belangrijker. In toenemende mate gaat het daarbij om het Indische verleden van haarzelf en haar familie. Dat het lezerspubliek dat ook bijzonder waardeert, blijkt wel uit de bekroning van Mevrouw mijn moeder (1999) met de Trouw Publieksprijs voor het Nederlandse Boek. Er waren toen al meer dan 100.000 exemplaren van de roman verkocht.