Een leven lang....
Zoeken

Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel

Schrijver Keuls, Yvonne
Titel Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel
Jaar van uitgave 1985
Auteur uittreksel Lucas Kruse

Samenvatting
In de roman komen twee personen aan het woord, die hun levensgeschiedenis vertellen: Annie Berber en Tommie. Het verhaal van de laatste is een aaneenschakeling van ellende.
De roman begint met een aanklacht van Tommie tegen het in Nederland heersende recht en de macht van de psychiaters. Hij benadrukt de vergeefsheid van zijn klacht: hij wordt toch niet serieus genomen.
Hierna begint Annie Berber met haar levensverhaal. Zij is het vijfde kind van Nella en Charles Berber, ze heeft vier oudere broers. Annie wordt, mede omdat ze in zichzelf gekeerd is, veel aan haar lot overgelaten. Als klein kind zit ze soms urenlang onder een stoel of in een kast verscholen, pratend tegen zichzelf en glurend door een kier naar twee prenten, een van een zoet en een van een stout kind. In haar fantasie verbindt ze die kinderen met de naam 'Berber', die 'vreemdeling' betekent. 'Diep in mijn hart wist ik dat de naam ook bij míj paste, want ík was die vreemdeling, ík was dat zoete kind, ík was dat stoute kind.' (p. 21) Haar oma Francien voedt dergelijke fantasieën, zij vertelt Annie alles over haar voorgeslacht. Urenlang kan Annie kijken naar de portretten van Felix en Berthe, haar grootouders van vaders kant.
Annies vader is een zwijgzame, introverte man, die zich opsluit in zijn kamer om zich aan zijn hobby's te wijden (o.a. het maken van caleidoscopen). Zijn vrouw typeert hem tegenover haar kinderen als 'uitvinder', Annies broers noemen hem een 'tovenaar'. Voor Annie blijft hij onbereikbaar.
Annie heeft een schokkende ervaring met Madeleine, een Belgisch dienstmeisje dat bij hen thuis werkt. Madeleine oefent als een bazin macht uit over Annie. Op een middag dwingt ze Annie zich uit te kleden en misbruikt ze haar. Annie is daardoor in een shocktoestand. Madeleine komt de volgende dag niet meer terug. Na een buikvliesontsteking en een overhaaste operatie sterft de moeder van Annie. Haar vader ondergaat alles apathisch. Annie besluit op kamers te gaan wonen. Het 'zoete kind' dat ze dan nog is, maakt kennis met de boze buitenwereld.

Haar eerste verhuurder vraagt direct zeshonderd gulden voor de borg en vierhonderd voor de huur. Een andere verhuurder blijkt een psychopaat, die Annie lastig valt met zijn smetvrees. In een naburig café ontmoet ze Cecilia, een spontane vrouw, die direct imponeert door haar schoonheid en daadkracht. Cecilia laat Annie kennismaken met Lodewijk, Aadje en Tommie. Ze vertelt Annie over hun plan om een familiepension te kraken, dat al drie jaar leeg staat. De wijkvereniging steunt hun plan. Aadje, een sociologiestudent, heeft de leiding. Hij wil afstuderen op de manier waarop zij het huis zullen bewonen en er een ontmoetingscentrum voor de buurt van maken. De gemeente moet nog toestemming geven en een projectontwikkelaar ligt op de loer.
Cecilia vertelt Annie dat ze eigenlijk nog een vijfde zoeken voor de bewoning van het pand. Ze nodigt Annie uit en die accepteert het aanbod graag. In de tussentijd vindt Annie onderdak in een noodkamertje in het huis van Loulou, een alom gerespecteerde en deskundige kinderrechter, die vaker probleemkinderen onderdak biedt. Loulou is bevriend met Annies oom Sjors, een psychiater.
In dit huis hoort en ziet Annie op een keer iemand haastig de trap afrennen. Ze herkent Tommie, het 'kleine, tengere jongetje met diepliggende bruine ogen', dat ze in de bar had gezien. Aan de reactie van Loulou merkt ze dat er tussen die twee iets aan de hand is. Op een keer hoort ze Loulou door de telefoon zeggen: 'Er is niets veranderd, Tommie, jij bent mijn prinses.' (p. 71)
Na enkele gesprekken met Tommie hoort Annie over hun verhouding: 'Goeie Loulou is er voor iedereen. Hij was al gek op me, toen ik twaalf jaar oud was. Van alle twaalfjarige jongetjes op wie hij gek was, was hij op mij het gekst.' (p. 75) Tommie verwijt Loulou machtsmisbruik: probleemkinderen die hij opvangt, zijn compleet afhankelijk van hem 'en dan gaat hij met ze lopen rotzooien, ze kunnen niet eens nee zeggen' (p. 75). Omdat Annie zich bij Loulou niet meer op haar gemak voelt, trekt ze bij Cecilia in.
Tommie zoekt Annie steeds vaker op: hij vindt dat ze op zijn gestorven moeder lijkt en noemt Annie daarom 'mijn enige, echte, verloren zuster'. Omdat hij zelf bijna niets weet van zijn familie, is hij geboeid door de familieverhalen van Annie. 'Als je zo'n familie hebt, (...) dan kom je ergens vandaan, en dan hoef je ook niet zoals ik naar jezelf te gaan zoeken.' (p. 78) Hun band wordt zo hecht dat hij haar (in flarden) zijn trieste levensverhaal vertelt.

Zijn vader had hij nooit gekend, zijn moeder stierf toen hij acht was. Hij was een lastige jongen, onrustig, ruzieachtig en agressief. Hij stal, werd verdacht van ontucht met een driejarig jongetje en kwam al jong met de politie in aanraking. Een schokkende ervaring beleefde hij toen hij op het bureau werd opgesloten en er van tijd tot tijd een agent hard op de deur bonsde. Hij kreeg er een allergische reactie van. De behandelend arts schrok van zijn huiduitslag en raadde hem aan iedere keer als er iets ergs gebeurde heel hard te gaan schreeuwen.
Toen zijn oma hem niet meer aankon, bracht men hem naar een observatiehuis. Tot zijn veertiende verbleef hij in een jongenshuis. Uitgebreide rapporten werden er over hem opgesteld. Tommie had lucratieve contacten met groepsleiders en droeg graag vrouwenkleren. Hij was een geboren toneelspeler, die tegenover volwassenen moeiteloos van de ene rol naar de andere overschakelde. Houvast zocht hij bij een plastic reiger (zijn talisman), bij de twee van Annie gekregen familieportretten, bij een foto van zijn moeder, bij vrouwen die hem aan zijn moeder deden denken, bij zijn ziekenhuisbed, dat hij als een huiskamer had ingericht en bij gepikte observatieverslagen van zichzelf, die hij altijd in een plastic zak bij zich droeg.
Vanaf de dood van zijn moeder had Tommie al met Loulou te maken. Na zijn twaalfde werden de contacten seksueel gericht. 'Op mijn dertiende was ik al een volleerde hoer.' (p. 93) Om te kicken droeg hij steeds vaker vrouwenkleren en verbleef hij in peperdure hotels, waar hij zich uitgebreid liet verwennen. De rekeningen liet hij naar Loulou sturen.
Vele malen doorliep Tommie een vicieuze cirkel: werken in seksclubs, opgepakt worden door de zedenpolite, geplaatst worden in tehuizen of in de gevangenis, ontsnappen en weer als hoer werken en grof geld verdienen.
De seksuele relatie met de kinderrechter bleef bestaan. Aan de ene kant zag Tommie in hem een liefdevolle vader en hield hij van hem, aan de andere kant verafschuwde hij hem en wilde hij hem aanklagen. Dat laatste deed hij ook. Toen Loulou Tommie na het zoveelste politierapport dreigde naar de tuchtschool te sturen, schreef Tommie een brief naar de Officier van Justitie over het misbruik van macht door de kinderrechter. Op die brief kreeg hij nooit antwoord.
Tommie raakte aan de drugs. Om af te kicken werd hij naar een Bhagwancentrum gestuurd. Door in de sessies zijn ellende van zich af te schreeuwen voelde hij zich tijdelijk wat beter. Ook daar liep hij weg. Loulou kon hem nu niet meer 'redden': hij werd veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf. Tijdens die straf wilde hij zijn leven beteren: hij ging een mbo-opleiding volgen. Zijn mondeling examen ging echter zo slecht dat hij besloot te vluchten. Hij dook onder in het Amsterdamse circuit, waar men hem kende en hij weer gemakkelijk als hoer aan de slag kon.
Om uit dit wereldje te 'breken' besloot hij terug te gaan naar Lodewijk en Cecilia. Zij haalden hem over mee te doen aan het kraken van het familiepension: dat zou een definitieve wending in zijn leven kunnen betekenen.

Op een dag kraken Cecilia en haar vier vrienden het pand. De volgende dag komt een knokploeg (in opdracht van de projectontwikkelaar) het interieur kort en klein slaan. De Mobiele Eenheid arriveert (zoals afgesproken!) te laat. Zodra Tommie hen ziet, neemt hij de benen. Hij laat verder niets van zich horen.
Ontredderd zitten de krakers te midden van de puinhopen. Toch maken ze plannen om het huis weer bewoonbaar te maken. De wijkvereniging trekt zich echter terug (op aandrang van de welgestelden in de buurt, die door de komst van de krakers bang zijn voor een sterke vermindering van de prijs van hun huis). Met behulp van enkele andere krakers wordt het pension toch weer opgeknapt.
Annie besluit Tommie te gaan zoeken. Van Loulou hoort ze dat Tommie een zelfmoordpoging heeft gedaan (door opgespaarde pillen in te nemen) en in het Krisiscentrum verblijft. Ze zoekt hem op. Tommie vlucht uit het centrum weg. Annie beschuldigt Loulou van misbruik van zijn macht als kinderrechter. Loulou kan bijna geen kant meer op: hij wordt door diverse jongens gechanteerd, probeert enkelen van hen naar een kibboets te sturen, maar raakt steeds meer in de problemen.
Ten slotte besluit Tommie dat hij geen slachtoffer meer wil zijn: met Annie als getuige zal hij bij Justitie aangifte doen tegen Loulou. Ze komen bij commissaris F. terecht, die de zaak serieus aanpakt. Omdat er de afgelopen jaren meer klachten over Loulou zijn binnengekomen, neemt de rijksrecherche de zaak over. Hoewel het hem aan zijn hart gaat, kan F. nu niets meer voor Tommie doen.
De zaak wordt in de doofpot gestopt. Loulou krijgt eervol ontslag en zal zich vrijwillig onder psychiatrische behandeling stellen. Oom Sjors probeert aan Annie uit te leggen dat dit de beste oplossing is voor alle partijen: als de zaak zou worden uitgezocht, zou het maatschappelijk belang worden geschaad. Voor Tommie brengt dit echter niet de gewenste gemoedsrust. Als er brand in het kraakpand uitbreekt, redt hij zijn verzamelde rapporten. Wanneer een bende ruige jongens hem in elkaar wil slaan, glipt hij weg en neemt de benen. Tevergeefs schreeuwt Annie zijn naam. 'Hij rende door, vóór zijn denkbeeldige achtervolgers uit. 1' (p. 260)

Interpretatie

Thematiek
Centraal in de roman staat het misbruik van macht. Belangrijke motieven zijn: jeugdcriminaliteit, pedofilie, hypocrisie, Muttersuche, haat, eenzaamheid en angst.
In onthullende gesprekken met zijn vriendin Annie Berber formuleert Tommie het machtsmisbruik van de pedofiele kinderrechter. Hij zegt tegen haar dat Loulou gek was op kleine jongetjes en vooral op hem: 'Hij was al gek op me toen ik twaalf jaar oud was.' (p. 75) Tommie vindt dat zo'n relatie voor een kinderrechter ontoelaatbaar is: 'Een kinderrechter is iemand aan wie je onvoorwaardelijk kinderen toevertrouwt. En wat voor kinderen! Meestal zijn het stumpers, die ik weet niet wat voor ellende achter de rug hebben en ik weet niet hoe erg gehavend zijn. Als zo'n man nou ook nog met kinderen gaat lopen rotzooien, waar blijf je dan? Zo'n vent maakt de dienst voor die kinderen uit, ze zijn aan hem overgeleverd, hij bepaalt waar ze naar toe moeten, naar dat tehuis of naar dat tehuis. Ze zijn compleet afhankelijk van die man en dan gaat hij met ze lopen rotzooien, ze kunnen niet eens nee zeggen. Jezus, het is de ergste vorm van machtsmisbruik.'
Tommie heeft zoiets al eerder meegemaakt: '(...) in alle kindertehuizen, in alle observatiehuizen waar ik gezeten heb, is misbruik van macht. De groepsleiders rotzooien daar al net zo hard met kinderen als onze hoogedelachtbare goeie Loulou, en met z'n allen doen ze waarachtig of die hele aanvoer van ongelukkige kinderen er speciaal voor hun gerief is, gedverdemme.' (p. 75)
Tommie weet zich in dit perverse, hypocriete wereldje echter goed te handhaven: 'Maar ik heb ze goed beet gehad. Ze zijn er voor mijn gerief geweest. Ik heb een fortuin verdiend aan al die groepsleiders, want ik was zo slim om ze er goed voor te laten betalen.' (p. 75) Tommie koppelt seksualiteit aan ruwheid en macht, hij wil de volwassenen met gelijke munt terugbetalen. Omdat hij prima kan toneelspelen, kost het hem geen moeite om tijdens de seks een 'rol' te spelen. Slechts tegenover zijn 'zuster' Annie (in wie hij zijn aanbeden moeder ziet) laat Tommie zijn masker vallen en toont hij zijn ware aard: die van een gevoelige, tedere, angstige jongen, die graag wil breken met zijn turbulente, criminele verleden.
Tommie heeft al snel door dat geld een grote rol speelt in de maatschappij waarin hij leeft. Hij raakt ervan bezeten: 'Geld, daar kocht je wat voor, geld was macht. Daarom begon ik ook geld te stelen. En het ging al heel gauw niet meer om de dingen die ik van dat geld kon kopen, maar om het feit dat ik met dat geld de grote meneer kon uithangen.' (p. 88)
Tommie imiteert de volwassenen misbruikers van de macht, die hij haat, door zelf macht uit te oefenen. Hij 'geniet' ervan met geld te smijten, mensen te manipuleren: 'Ik was belangrijk, want ík was lekker slimmer dan iedereen.' (p. 89) 'Al die volwassenen die voor mij bogen als slaven!' (p. 94) Het is echter een tijdelijk 'genieten': na afloop van zijn machtsmisbruik wordt Tommie teruggeworpen in zijn eenzaamheid en angst en komen gedachten aan zelfmoord bij hem op.
Wat Tommie de machtsmisbruikers vooral verwijt, is dat ze bij zulke jonge kinderen als hij iets kapotgemaakt hebben, wat nooit meer is te vergoeden, 'want ik kom er nooit meer van af' (p. 75). Vandaar dat hij, ondanks dat hij Loulou als een vader ziet en van hem houdt, altijd een gevoel koestert om eens wraak op hem te nemen.
Tommie ervaart dat weinig helpt tegen misbruik van macht, dat de maatschappij corrupt is en volwassenen elkaar dekken als er problemen voor een van hen dreigen te ontstaan. Tijdens een sessie leert hij van Lea om je verdriet eruit te huilen en te schreeuwen. Uit alle macht schreeuwt hij de longen uit zijn lijf en langzaam komt hij tot rust. Hij voelt zich opgelucht, trots, omdat hij 'al die dingen had gezegd' en blij, omdat er mensen waren die hem geloofden (p. 165).

Tommie zoekt wanhopig naar houvast. Hij vindt dit aanvankelijk bij Loulou, die hem uit de moeilijkheden helpt en vertedert. Als deze hem echter seksueel benadert en zijn macht over hem misbruikt, verandert de liefde voor deze 'vader' in haat. Echte liefde koestert Tommie voor zijn jong overleden moeder. 'Mijn moeder was eigenlijk helemaal van mij (...), ik vond alles goed wat ze deed en zij wat ik deed (...), ze aanbad me, omdat ik mooi en gezond was.' (p. 129) In Annie ziet Tommie een nieuwe moeder, zijn 'enige, echte, verloren zuster' (p. 134) Maar ook voor Mathilde Willink koestert hij zulke gevoelens: 'Iedere stad zou zijn eigen Mathilde Willink moeten hebben om de mensen te troosten, want alleen iemand met een groot verdriet kan mensen troosten. En zíj heeft dat. Zij heeft het grote verdriet. Ik heb het in haar herkend, omdat ik het zelf heb.' (p. 143) Ook in Cecilia ziet Tommie een moeder, in Ma Prem Viraldi (p. 166) en in Lea: 'Ik voelde dat ze alles-in-één-was, moeder, zuster, vrouw.' (p. 171) Dit motief kunnen we Muttersuche noemen, een variant op het bekende Vatersuche-motief.
Slechts één enkele keer betekent seks voor Tommie iets meer dan 'behoorlijk aanpezen': met Peetje heeft hij de ervaring dat seks iets met jezelf te maken heeft, met je hart en met je bloed (p. 151). Opvallend is dat Tommie een zeer goede relatie heeft met Annie, maar geen seks met haar heeft.
Tommie staat model voor de mens in de maatschappij die altijd aan het kortste eind trekt, de mens die niet opgewassen is tegen de harde, corrupte mentaliteit, hoewel hij nota bene zelf volop aan die corruptie meedoet. Tommie is de 'eeuwige vluchteling': 'Tot mijn dood toe en nog honderd levens daarna en in al mijn dromen zal ik op de vlucht blijven slaan.' (p. 174 en 260)

Machtsmisbruik komt ook bij andere personages voor. Madeleine, de dienstmeid in het gezin van Nella en Charles Berber, geniet zichtbaar van de macht die ze uitoefent op de jonge Annie. Elke dag wordt het een stukje erger en Annie wordt steeds banger voor haar. Ze durft er echter tegen niemand iets over te zeggen: 'Ik zat in het circuit en merkte pas de laatste dag dat ik als een kevertje in haar emotionele web gevangen zat.' (p. 34) Op een dag moet de kleine Annie zich van Madeleine uitkleden en maakt die misbruik van haar. Annie wordt overvallen door 'een mengeling van afschuw en angst' (p. 35), sluit zich emotioneel af en komt in een shocktoestand.
Iemand die ook misbruik maakt van zijn macht, is de kamerverhuurder die Annie duizend gulden wil afpersen (p. 47). Annie is doodsbang in het kleine kamertje dat ze huurt en begint tegen zichzelf te praten om haar angst te overwinnen (p. 51).
Lodewijk praat in lange monologen over het misbruik van macht dat hij heeft meegemaakt van zijn vader ('de baas van het leger, de baas van mijn moeder, de baas van Lodewijkje', p. 63) en in de maatschappij. Hij heeft een middel gevonden tegen de machtsmisbruikers: 'Praten. Niet ophouden met praten. (...) gekmaken door te praten, door alles te betwijfelen, van twee kanten te bekijken, door alles van commentaar te voorzien.' (p. 63) Met enkele alternatievelingen (Cecilia, Aadje) heeft hij zich teruggetrokken. Als hij voelt dat hij weer eens klem komt te zitten, zondert hij zich af in een woonwagen en speelt op een zelfgesneden fluitje. 'Dat fluitje heeft me gered (...). Ik draag het ook altijd bij me.' (p. 64) Hij is van plan in het gekraakte familiepension 'een soort Redjezelf-theater' in te richten, waarin hij wil uitdokteren wat voor invloed 'al die maatschappelijke dingen' (geld, rooster, schema's) op een individu kunnen uitoefenen.
Verder is er het machtsmisbruik van de politieagenten, die de kleine Tommie opsluiten en bangmaken door op de deur te bonken (p. 84).

Tot slot enkele motieven die in de roman een rol spelen:
- eenzaamheid: Annie heeft in feite nooit een vader gekend; Tommie groeit eenzaam op en wordt in zijn jonge leven van tehuis naar tehuis gestuurd en overgeleverd aan steeds wisselende mensen; - standsverschil: Nella-Charles (p. 18, 20); - drugsgebruik als middel om ellende te vergeten: Lodewijk (p. 63); - leidmotieven: de stoel waaronder Annie zich in haar jeugd schuilhield (p. 22); het schilderij van het stoute en het zoete kind (p. 23); de stoelen die Annies moeder verzamelde (p. 50); het fluitje van Lodewijk, zijn talisman (p. 64); de rapporten die Tommie steeds bij zich draagt ('mijn grootste vijanden en mijn grootste vrienden', p. 102); de familieportretten die Annie aan Tommie geeft en die voor hem een compensatie betekenen voor zijn gemiste verleden (p. 107, 128: 'Het geeft me het gevoel dat ik uit een eeuwenoud geslacht kom.'); de reiger, die Tommie aan het hoofdeinde van zijn bed wil hebben, zijn talisman (p. 127).

Titel en motto's
De titel van de roman, Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel, slaat op de twee hoofdpersonen, Annie en Tommie.
Yvonne Keuls heeft goed over de titel nagedacht. Over de voor- en achternaam van het meisje bijvoorbeeld. 'Anna' betekent: de aangename, de geliefde, en de naam 'Berber': vreemdeling, buitenlandse. In De arrogantie van de macht (1986) zegt de schrijfster hierover: 'Annie Berber is mijn alter ego, ze is het kind dat ik ooit zelf ben geweest en dat een vreemde voor me is geworden, een 1.'
Dat Tommie veel verdriet heeft meegemaakt, is niet moeilijk aan te tonen: hij heeft zijn vader nooit gekend en zijn moeder verloren toen hij acht was. Hij gaat gebukt onder het machtsmisbruik van Loulou en onder het feit dat hij hem gaat verraden.
Ook de criminaliteit van Tommie staat buiten kijf. Zo heeft hij anderhalf jaar gekregen voor diverse diefstallen. Maar Tommie heeft ook een tedere kant. Annie Berber wordt juist aangetrokken door die tweepoligheid: 'Die combinatie van doodsangst en bravoure. Hij was een stukje broer en een stukje tovenaar, hij was komisch en triest, grillig en trouw, hij had de huid van een olifant en was tegelijkertijd zo verschrikkelijk kwetsbaar. Hij was alles tegelijkertijd en daardoor leek hij volmaakt op het beeld waarmee ik me als kind vertrouwd had gemaakt: het zoete en het stoute kind, maar nu in één jongetje verenigd.' (p. 198)
Het tweede deel van de titel komt ook elders in de roman ter sprake: 'De kinderrechter die me aanbood om als een vader voor me te zijn, maar niet van mijn billen af kon blijven? De billen van een heel teder jongetje, dat later crimineel zou worden? (...) Jezus, Berber, wie gelooft me? Wie geeft er een cent voor het verdriet van een tedere crimineel?' (p. 100)

Het motto is ontleend aan De profeet van Kahlil Gibran en gaat over de begrippen 'schuld', 'onschuld' en 'rechtvaardigheid'. Gibran doet er paradoxale uitspraken over: 'De rechtvaardige is niet onschuldig aan de daden der bozen.'; 'Ja, de schuldige is vaak het slachtoffer van wie kwaad werd aangedaan.' en: 'Gij kunt de rechtvaardige niet scheiden van de onrechtvaardige en de goede van de boze.'
Met andere woorden: de schuld kan niet geheel in de schoenen van Tommie geschoven worden, omdat hij slachtoffer is van het machtsmisbruik van de kinderrechter, en omgekeerd kan ook de kinderrechter niet alle schuld dragen, omdat Tommie hem heeft gechanteerd en misbruikt. 'Schuld' en 'onschuld' zijn dus vaak nauwelijks te scheiden, ze zijn verweven 'zoals de zwarte en witte draad'. Als er een draad in het weefsel breekt, moet het gehele weefsel èn het weefgetouw worden onderzocht, aldus Gibran. Yvonne Keuls wil hiermee zeggen dat het moeilijk is uit te maken wie de schuldige is en wie niet, en dat een onderzoek daarnaar zeer zorgvuldig moet geschieden.

Structuur en techniek
De roman bestaat uit zeventien ongenummerde, titelloze hoofdstukken. Regels wit markeren binnen elk hoofdstuk overgangen in tijd en plaats.
In het korte eerste hoofdstuk is Tommie aan het woord: hij beklaagt zich over de rechtsongelijkheid en het vergeefse van zijn klacht. Pas in hoofdstuk 5 zal hij weer aan het woord komen.
In de hoofdstukken 2 tot en met 4 vertelt Annie Berber in de ikvorm over haar jeugd. Zij is ook de vertelster in de hoofdstukken 6 tot en met 9, 13 en 14. Dat zij haar verhaal achteraf (post rem) vertelt, blijkt uit opmerkingen als: 'Later zou ik weten, dat dat Cecilia's manier was om ergens mee in te stemmen.' (p. 58)
De roman wordt niet-chronologisch verteld, omdat er lange flashbacks zijn over de voorouders en jeugd van Annie, over de moeder van Tommie en over zijn jeugd. De historische tijd wordt duidelijk door de problematiek van het kraken en door de actualiteit: 'Al die van Aardennes, Stikkers, van Zonnen en de Vriesen worden nu aan de televisieschandpaal gezet, betrapt op onvermogen, dieverij en gedraai. (...) Als je die smoelen in die keurige taal hoort vertellen hoeveel begrip ze voor zichzelf hebben en dat ze 1 van RSV en Slavenburg's bank hebben gehandeld.' (p. 132)
Structureel opvallend is de tweedeling: het verhaal van Annie en het verhaal van Tommie. Die komt op verschillende manieren in de roman terug: de titel, twee ikvertellers, het zoete en het stoute kind.

De ruimte speelt een opvallende rol, vooral in details:
- de klerenkast, waarin Annie zich schuilhoudt, fantaseert en de buitenwereld beloert (p. 9); - de grote fauteuil, die Annie omkeert om zich eronder te verschuilen (p. 22); - het donkere schilderij met de eenzame visser, met wie Annie zich vereenzelvigt (p. 23); - de werkkamer van Annies vader, waarin hij zich urenlang terugtrekt (p. 29); - het eerste, kleine huurkamertje van Annie, waarin zij zich angstig en verlaten voelt (p. 47-49); - het familiepension, een fraai pand 'met een ziel van eind vorige eeuw' (p. 61); - de woonwagen waarin Lodewijk zich af en toe terugtrekt uit de 'boze wereld' (p. 64); - het logeerkamertje van Loulou, waarin alle probleemkinderen een spoor hebben achtergelaten ('Dit kamertje is één groot document.', p. 66); - het ziekenhuisbed van Tommie, dat hij als een eigen huisje inricht (p. 128); - Fred's Plees, de patatzaak en discotheek waar 'allerlei ongeregeld' komt en criminele plannen beraamt (p. 130); - de kinderhuizen en observatiehuizen waarin Tommie opgroeit (hoofdstuk 10); - de Amsterdamse hoerenbuurt, waar Tommie opereert (p. 169); - de nieuwe kamer die Tommie in het familiepension inricht: 'Dít was Tommie's wereld. Eén groot toneel, één grote kermis met kleur, fantasie, geratel, schiettenten en suikerspinnen' (p. 199).

Personages
Niet Annie Berber maar Tommie is de feitelijke hoofdpersoon in deze roman. Hoewel Annie een uitgebreide familiegeschiedenis vertelt en belangrijke gebeurtenissen uit haar jeugd, vormt haar verhaal slechts een opstapje tot dat van Tommie. Zij is het klankbord voor zijn verhalen, zij is de getuige, de waarnemer en degene die verslag uitbrengt van zijn zeer lange monologen. De bespreking van de personages is ondergebracht bij Thematiek.

Taal en stijl
Kenmerkend voor de stijl van Yvonne Keuls is het gewone taalgebruik ('gewone-mensentaal'), het geringe aantal beschrijvingen, de spanning en het veelvuldig voorkomen van dialogen. Over de vele dialogen in haar werk zegt Keuls in een interview: 'Ik ben geen beschrijvende schrijver. Ik denk in dialogen (...) Ik maak eerst een plot en vul dan mijn dialogen in.' (Haagse Post, 26 juni 1982)
Om het werkelijkheidsgehalte van haar boek te vergroten heeft Yvonne Keuls enkele 'officiële stukken' erin opgenomen: het observatieverslag (p. 85); een gedeelte van een rapport (p. 99); een concept voor het kraken en bewonen van het familiepension (p. 125); Tommies brief aan de Officier van Justitie (p. 140) en een gedeelte van een proefverslag (p. 145).
Critici kraakten veelal haar stijl. J.A. Dautzenberg vindt haar stijl bijzonder clichématig en het overmatig gebruik van dialogen niet thuishoren in 'de literatuur' (zie ook Reacties).

Situering binnen het werk
Yvonne Bamberg (Batavia, 1931) heeft zes jaar in Nederlands-Indië gewoond. Ze werd onderwijzeres en trouwde in 1954 met Rob Keuls. Ze heeft drie dochters. De overtuiging dat zij iets voor mensen kon doen, heeft aan het schrijverschap van Yvonne Keuls richting gegeven. Zij voelde zich al vroeg nauw betrokken bij het lot van andere mensen en wilde in boeken kritiek leveren op misstanden.
Zo leverde zij in Jan Rap en z'n maat (1977) kritiek op de slechte opvang van jongeren; in De moeder van David S. (1980) op de tolerantie ten opzichte van softdrugs en de begeleiding van drugsverslaafden; in Het verrotte leven van Floortje Bloem (1982) op de slechte opvang van heroïnehoertjes tussen de twaalf en zestien jaar en in Annie Berber en het verdriet van een tedere crimineel (1985) op het misbruiken van pupillen van de Kinderbescherming door hun hulpverleners.
Yvonne Keuls schreef ook minder geëngageerd werk: korte stukjes over haar kinderen, gedichten, toneelstukken en hoorspelen. Herinneringen aan haar moederland, Indonesië, verwerkte ze in De tocht van het kind (1990), verschenen naar aanleiding van haar derde reis naar Indonesië, en in Mevrouw mijn moeder (1999), geschreven naar aanleiding van de dood van haar moeder.

Reacties
Literatuurrecensenten hebben meestal weinig waardering voor haar werk. Zij wijzen op het overmatige gebruik van de dialoog en op de clichématige aanpak van de problematiek in haar boeken. J.A. Dautzenberg schrijft: 'Het is niet moeilijk aan te tonen dat mevrouw Keuls niet tot de literatuur behoort. Daarvoor schrijft ze gewoon niet goed genoeg. Literatuur wekt een soort literaire nieuwsgierigheid op: naar de verwoording van het gegeven. Bij Keuls ben je echter slechts nieuwsgierig naar de afloop van het verhaal. (...) Het navertellen van de zuivere werkelijkheid leidt nooit tot kunst, maar altijd tot clichés.' (de Volkskrant, 4 oktober 1985).
Ook is haar verweten dat ze een 'gat in de markt' heeft ontdekt (schrijven over de ellende van anderen), dat commercieel goed weet te 'verpakken' en niet wezenlijk is betrokken bij de problemen waarover ze schrijft. Yvonne Keuls heeft zulke kritiek altijd verontwaardigd van de hand gewezen. In een interview in Vrij Nederland klaagt ze over de onderwaardering door Nederlandse critici en auteurs: '(...) heb ik toch geen boodschap aan een zekere Tom van Deel die heeft gezegd dat hij mij niet wil lezen omdat het geen literatuur is wat ik schrijf? Dan denk ik: jongen, je zoekt het maar uit, jij staat tien trappen lager dan ik. Door zo'n stumper wil ik niet eens beoordeeld worden. Mijn tijd komt nog wel. Ik weet dat Harry Mulisch mij destijds niet in dat literatuurprogramma van de VPRO-televisie wilde hebben. Hij stelde zichzelf op een bepaald plan. Nou, ik niet.' In dit interview wijst ze op de waardering die ze in het buitenland ondervindt: in Engelse bladen wordt ze vergeleken met Truman Capote.
De doorsnee lezer trekt zich van het feit dat haar boeken niet literair zouden zijn, weinig aan. Bij een enquête uit 1986, gehouden door het literatuurmagazine Diepzee onder jongeren van de hoogste klassen van het voortgezet onderwijs, wezen de leerlingen Yvonne Keuls na Harry Mulisch (De aanslag) aan als de beste Nederlandse auteur. Ook oplagecijfers wijzen dit uit: in 1987 waren 160.000 boeken van De moeder van David S. verkocht. Ook Jan Rap en z'n maat scoorde hoog (115.000 exemplaren), evenals Het verrotte leven van Floortje Bloem (200.000 ex.) en Annie Berber of het verdriet van een tedere crimineel (105.000 ex.).
Behalve Dautzenberg is ook Joke Linders-Nouwens niet ingenomen met de roman: 'Met Literatuur heeft dit boek niets te maken. Er is hooguit sprake van een documentaire. Literatuur probeert immers de feiten zo te schikken dat er iets nieuws ontstaat, een nieuw inzicht, een andere voorstelling van zaken die ontroering of ver- en bewondering wekt. Een schrijver heeft daarvoor allerlei middelen tot zijn beschikking: het ontwikkelen van de plot, de karakterschildering, sfeerbeschrijving, taal en vertelperspectief. In bijna al die technieken faalde Yvonne Keuls.' (Haarlems Dagblad, 4 oktober 1985)
Nog feller reageerde Jos van Hest: 'Het is hapklaar geschreven en ik hield er een stinkende adem aan over. (...) Yvonne Keuls bevestigt vooroordelen, nee, ze maakt daar juist handig gebruik van. Jullie weten toch dat pedofilie lelijk en vies is? Wees maar blij dat je geen Tommie bent. Wat een braakziek boek.' (Het Parool, 18 oktober 1985)
Diverse recensies ageren overigens niet zozeer tegen de literaire kwaliteiten van Keuls, maar gaan in op het gedrag van de kinderrechter, het seponeren van de zaak en de realiteit die aan de roman ten grondslag ligt.

Context

Opdracht
Yvonne Keuls heeft de roman opgedragen aan Jantje, Peter, Daniël, Leo, Hendrik en Michaël, 'zes tedere criminelen', en aan de vrouw die deze jongens opving: Zuster van der Mast. In het genoemde interview in Vrij Nederland merkt zij op dat het personage Tommie door haar bedacht is, en is opgebouwd uit zes jongens met wie ze jarenlang contact had.

Verantwoording
In de verantwoording voorin het boek vermeldt de auteur dat bijna alle gebeurtenissen zich in werkelijkheid hebben voorgedaan. Wel heeft ze namen, achtergronden en karakteristieke bijzonderheden zo veranderd dat geen van de figuren nog gelijkenis - tenzij een toevallige - vertoont met degenen die ze tijdens het schrijven heeft leren kennen.

Subgenre
Omdat in dit boek uitgebreide karakters worden beschreven, de hoofdpersoon, Tommie, zich ontwikkelt en het verhaal een grote tijd beslaat, kan men van een roman spreken. Aangezien het doel van de auteur is een zo goed mogelijk beeld te geven van een bestaande werkelijkheid, kan men spreken van een realistische roman.
Omdat de roman sterk sociaal bewogen is en er een duidelijke visie wordt geformuleerd, een aanklacht tegen maatschappelijke misstanden, spreken sommigen van een tendensroman. Dit is echter niet geheel juist. Omdat een oplossing van de probleemsituatie niet gegeven wordt, kan men beter spreken van een probleemroman.

De realiteit achter het verhaal
Is de roman fictie of gebaseerd op feiten? Journalisten wisten dat Yvonne Keuls zich in haar vorige drie 'sociale romans' op feiten en ware gebeurtenissen had gebaseerd en hadden de werkelijke toedracht al snel achterhaald: 'In 1981 heeft een 30-jarige Hagenaar aangifte gedaan bij de politie in Den Haag. De Rijksrecherche begon onder verantwoordelijkheid van de Rotterdamse justitie een onderzoek en stelde vast dat een rechter in 1972 inderdaad pedofiele contacten met de toen 17-jarige onderhield. Deze Haagse kinderrechter, Mr. Theo R., heeft in april 1982 ontslag moeten nemen, nadat de Rijksrecherche pedofiele contacten met kinderen over wie hij moest oordelen had vastgesteld. De rechter is niet vervolgd omdat de feiten bijna verjaard waren, er geen behoorlijk proces meer gevoerd kon worden en geen sluitend bewijs te krijgen was. Dit is bevestigd door Mr. W.J.M. Berger, procureur-generaal bij de Hoge Raad .' (Het Parool, 5 september 1985)
Vanuit de rechterlijke macht werd woedend gereageerd op het verschijnen van Annie Berber of het verdriet van een tedere crimineel. Zo neemt Mr. Berger het voor de kinderrechter op: 'Hij heeft zijn hele loopbaan met hart en ziel aan het kinderrecht gewijd. In het jeugdrecht heeft hij een grote rol gespeeld, hij zat in diverse commissies. Zichzelf heeft hij geen moment gespaard in zijn werk. En daarom was dit eigenlijk een trieste afgang en vind ik het niet te waarderen van mevrouw Keuls dat ze hem op deze manier na drie jaar nog een trap na geeft. Vooral de manier waarop ze dat doet. Het boek is in de romanvorm geschreven, waar eigenlijk niet tegen op te treden is.' (Rotterdams Nieuwsblad, 5 september 1985)
Op haar beurt werd Yvonne Keuls woedend over deze reactie: 'Waar ik razend over blijf, is zo'n reactie van mr. Berger, godbetert de hoofdverantwoordelijke voor alle rechters in Nederland! Die man heeft zichzelf volstrekt belachelijk gemaakt. Ik beschik trouwens over informatie dat hij ook binnen Justitie zijn gezicht verloren heeft. Hoe durft ie? Als de zaak tegen de kinderrechter niet geseponeerd was, had ik er nooit een boek over geschreven. Hij begon al te praten voordat hij het boek had gelezen, dus wie gelooft die man nou nog? (...) Ik trek de conclusie dat mr. Berger doodsangsten uitstond dat ik meer zou onthullen dan er uiteindelijk in mijn boek te lezen viel.' (Panorama, 14 februari 1986).